Over zionisme (1)

In de Van Dale staat het heel neutraal: ‘zionisme is het (door Theodor Herzl rond 1900 geinitieerde) streven van joden een eigen nationale staat in Palestina te stichten, en, thans, deze staat te handhaven’. Maar in het huidige debat is het woord zionisme niet langer neutraal. Voor de tegenstanders van de politiek van Israel wordt het vaak gebruikt als scheldwoord dat verder geen verklaring meer behoeft. Zionisme staat gelijk aan racisme, stond eens op een spandoek. De voorstanders van Israel reageren als gebeten, want voor hen is zionisme een heilig woord. Wie er tegen is, is niet alleen tegen Israel, maar is uit op de vernietiging van het land, wil ‘de joden de zee in drijven’. Antizionisme staat dan gelijk aan antisemitisme. In beide extreme opvattingen wordt nauwelijks onderscheid gemaakt tussen Israel, het zionisme en het jodendom. Het kan geen kwaad om uiteen te rafelen waar we het over hebben – is zionisme per definitie goed, niets minder dan een legitieme bevrijdingsbeweging van joden, is het per definitie slecht, niets minder dan een onderscheid op grond van een etnisch-religieus beginsel en dus per definitie racistisch?

Ruim tien jaar geleden werd ik voor het eerst geconfronteerd met de werkelijkheid in Gaza. Ik was geschokt over die grote openluchtgevangenis, en toen was het nog aanzienlijk beter dan nu. In de jaren daarvoor had ik zelf het zionisme nog neutraal omschreven als een bevrijdingsbeweging van joden. (In De ziekte bestrijden, niet de patient, 1986, waarin ik een apart hoofdstuk schreef over de onderdrukking van joden, als een historisch gezien specifieke vorm van racisme). Maar na Gaza voelde ik me verplicht opnieuw op onderzoek uit te gaan. Waar was het mis gegaan, hoe was het mis gegaan, wanneer was het mis gegaan? Want dat het mis was was voor mij als ooggetuige van onrecht wel duidelijk. Ik maakte er studie van, ging naar congressen, sprak met de nieuwe historici en las hun boeken, ontdekte de oppositie in Israel, de alternatieve bronnen voor nieuws en achtergrondanalyse. En schreef Het beroofde land, in 2000, waarin onder andere over het zionisme als politieke beweging, en wat er van terecht was gekomen.

Hoewel er sindsdien een hoeveelheid actualiteit bijgekomen is om meerdere boeken te vullen, sta ik nog steeds geheel achter de beschrijving die ik toen gaf over zionisme. Het probleem is dat de voorstanders van Israel het vooral over de ideologie hebben, de tegenstanders vooral over de praktijk van het zionisme. Voor dit weblog een kleine serie, vooral gebaseerd op Het beroofde land. Deel 1 hierbij.

Zionisme als politieke beweging

Zionisme was eens niet meer en niet minder dan een politieke beweging die geloofde dat het jodendom van antisemtisme en assimilatie gered kon worden door het stichten van een joods thuisland. De vorm waarin was nog niet meteen duidelijk en zelfs niet de plek. Herzl zelf, die niet religieus was, overwoog nog Argentinie. Pas later kwamen er de religieuze argumenten bij, om te rechtvaardigen dat de joodse staat gevestigd werd in het mandaatgebied Palestina, toen nog onder Britse koloniale overheersing. Voor de holocaust de urgentie duidelijk maakte van een oplossing voor het lot van de overlevenden, was het zionisme gewoon een politieke stroming waar men, ook joden, kritiek op konden hebben, zonder beschuldigd te worden van antisemitisme. Ook in de tijd voor de stichting van de staat waren er joden die er niets in zagen.

Waarschuwingen

Al in 1919 waren er Amerikaanse Joden die waarschuwden tegen de gevolgen van een extreem zionisme. Congreslid Julius Kahn en dertig andere vooraanstaande Joden publiceerden een brief waarin ze hun verontrusting uitspraken:

‘Wij burgers van de Verenigde Staten, geven hier uiting aan onze bezwaren tegen het organiseren van een Joodse staat in Palestina. De bevrijdingsstrijd zou moeten gaan over volledig burgerschap en mensenrechten overal ter wereld. Ook in Palestina. Maar niet ten koste van de burgerrechten van een ander volk. Wij vragen dat Palestina een vrije en onafhankelijke staat wordt, met een democratisch bestuur dat geen enkel onderscheid in geloof, ras of etnische afkomst zal erkennen, en met voldoende macht om het land tegen elke vorm van onderdrukking te beschermen. Wij wensen Palestina niet georganiseerd te zien als een Joodse staat, nu niet en in de toekomst niet’.

Dergelijke waarschuwende stemmen, ook uit de Joodse gemeenschappen, werden vergeten toen de dreiging van het nazisme toenam en het zionisme een beweging leek te worden die alle Joden vertegenwoordigde. Martin Buber waarschuwde al in 1921 om nationalisme niet te verwarren met judaisme. Hannah Arendt sprak vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog haar twijfel over het zionisme als bevrijdingsbeweging uit. In 1958 schreef de histoticus Isaac Deutscher in zijn essay ‘de niet-Joodse Jood’: De wereld heeft de Joden gedwongen de gedachte van een nationale staat te omarmen in een tijd dat er geen hoop over was. Dat kan de Joden niet kwalijk worden genomen, wel de wereld. Zulke nieuwe nationale staten zijn nooit progressief. En het is te hopen dat de Joden de weg terug zullen vinden naar de morele en politieke erfenis van de Joden die het Jodendom voorbij waren – de boodschap van een universele menselijke emancipatie.

En in 1967 schrijft de Amerikaans-Joodse journalist I.F. Stone over de achterlijkheid van alle etnocentrische bewegingen, en bedoelt daarmee ook het zionisme. De Israeli’s kunnen niet volhouden dat ze recht hebben op een stuk land, alleen maar omdat hun voorouders er tweeduizend jaar geleden hebben gewoond, schrijft Maxime Rodinson in 1968, en ze hebben een ander volk groot onrecht aangedaan door het de rechten te ontnemen die niet minder geldig waren dan die van henzelf.
Lang zijn deze critici roependen in de woestijn gebleven.

Het debat

Ook in Nederland heeft de discussie over Israel en het zionisme meer dan eens gewoed, als strijd tussen de verdedigers van Israel en degenen die opkwamen voor de Palestijnen. In 1983, bijvoorbeeld, in De Groene Amsterdammer. Anet Bleich nam het op voor het zionisme, dat ze zag als een oplossing voor de Joden – door een eigen nationaal bestaan op te bouwen zouden ze niet op hoeven te gaan in de volken waar zij zich tussen bevonden, assimilatie, maar konden als collectiviteit voortbestaan. Het zionisme is niet expansief, het is reactionair noch progressief, het is zoals elke nationale idee in principe politiek neutraal, stelde Bleich.

Dat het zionisme in de praktijk geen vriendschap en gelijkheid met de Palestijnen opleverde lag niet aan het zionisme zelf. ‘Misschien is er van Joods-zionistische kant niet altijd voldoende systematisch uiting gegeven aan het streven naar verzoening en cooperatie, maar de Arabische reacties waren onverzoenlijk’, schreef ze, ‘Je kunt het mensen die op het punt staan te verdrinken niet kwalijk nemen dat ze op een voorbijgaand vlot gaan zitten, vooral niet wanneer ze de mensen die op het vlot zitten er niet af duwen maar vragen een stukje op te schuiven’.

Bertus Hendriks, toen van het in 1969 opgerichte Palestina Komitee, had een andere mening. ‘Men hoeft de Joden, zionist of niet, die zich nog net voor Hitler in Palestina konden redden, niet kwalijk nemen dat ze zich niet afvroegen wie ze daarbij omver liepen. Voor de Palestijnen waren de gevolgen niet minder bitter en het optreden van de zionistische beweging in de jaren daarvoor had hen op z’n zachtst gezegd niet gestimuleerd tot een grootmoedigheid die het ‘beschaafde Westen’ op het beslissende moment zelf niet op wist te brengen. Toen de Joden nog konden vluchten werden daar de grenzen gesloten of werden Joodse vluchtelingen maar mondjesmaat toegelaten.

Een van de problemen bij de discussies rond zionisme is dat de voorstanders steeds de mooie bedoelingen en de idealistische beweegredenen van de pioniers stellen tegenover de aanklacht van de slachtoffers ervan, die zich baseren op wat het zionisme voor hen in de praktijk betekende. Het zionisme een bevrijdingsbeweging? Normaal richt een bevrijdingsbeweging zich tegen de onderdrukker, stelt Hendriks. Maar voor de Joden zat die in Europa. Het zionisme was een koloniale onderneming in Palestina. Het grote probleem is dat de mooie dromen over humanitaire en egalitaire waarden waar het zionisme op gebouwd was niet zijn verwezenlijkt op een onbewoond eiland, maar in een al bewoond land waar de bewoners niet naar hun mening werd gevraagd. En het maakt voor de Palestijnen niet veel uit of ze in naam van het socialisme of in naam van de bijbel opzij werden geschoven.

Zionisme als koloniale onderneming

Het is waar dat er binnen het zionisme zowel zeer linkse als uiterst rechtse stromingen te vinden waren. En mensen die toen al waarschuwden tegen de gevolgen van het zionisme, zoals Judah Magnus, in 1946. Die waarschuwde voor een militaire verovering van Palestina, niet omdat hij bang was dat het niet zou lukken, maar omdat hij voorzag wat er zou gebeuren als het wel zou lukken. ‘De dag dat wij de Arabieren verslaan, dat is de dag, denk ik, dat we een eeuwigdurende haat gezaaid zullen hebben, een haat van zo’n formaat dat het nog eeuwen zal duren voor de Joden daar kunnen leven. We kunnen in Palestina geen Joodse staat of een binationale staat of een yishuv (gemeenschap) onderhouden als de hele omringende wereld onze vijand is. Hoe we het ook doen, yishuv of staat, het zal altijd hachelijk zijn, en dat is niet wat we willen, of wat het Joodse volk nodig heeft’.

Het zonnige kibboetssocialisme, met zijn idealistische visie op de komst van een egalitaire samenleving en de ‘nieuwe mens’ bracht geen gelijkheid voor de er wonende Arabieren. Hoe kon dat ook anders, ook die vriendelijke kant van het zionisme was doordesemd met de in die tijd vanzelfsprekende koloniale opvatting dat de westerse cultuur superieur was aan de orientaalse, en van de gedachte dat de Arabieren van de uit Europa afkomstige Joden nog ‘een schone en beschaafde manier van leven’ konden leren. Feitelijk leek het zionistische project, de kolonisatiegolf die al begon tussen 1882 en 1904 het meest op wat de Fransen in Algerije deden, en de Palestijnen waren net zo weinig dankbaar als de Algerijnen, of andere gekolonialiseerde volken.

Feitelijk waren de rechtse zionisten veel eerlijker. Zoals Vladimir Jabotinski en zijn volgeling Begin. Jabotinski maakte er geen geheim van. Hij wist heel goed dat er in het toekomstige Joodse land Palestijnen leefden, en dat de slogan ‘een land zonder volk voor een volk zonder land’ niet klopte. De er wonende Arabische bevolking moest worden onderworpen of verdwijnen. Al in 1923 zei hij exact waar het op stond:

‘De ijzeren wet van elke koloniserende beweging, een wet die geen uitzondering kent, een wet die van alle tijden is en onder alle omstandigheden geldt, is dat je wanneer je een land wilt koloniseren waarin al mensen leven, een garnizoen tot je beschikking moet hebben. Zonder strijdkrachten is kolonisatie onmogelijk. Zionisme is een avontuur van kolonisatie, en eht staat of valt dus met een strijdmacht. Het is belangrijk om te kunnen bouwen, het is belangrijk om Hebreeuws te kunnen spreken, maar helaas, het is belangrijker om te kunnen schieten’.

Misschien geloofde Ben Goerion, in zijn jonge jaren een bewonderaar van Lenin, aanvankelijk werkelijk in de solidariteit tussen Arabische en Joodse arbeiders, die sterker zou moeten zijn dan het verzet van de Arabieren tegen het zionisme. De Arabieren zouden toch moderne technieken kunnen leren, betere landbouwmethoden, een betere gezondheidszorg – er was eigenlijk weinig reden waarom ze niet dankbaar zouden zijn. Maar toen in 1948 de staat een feit werd, haalde Ben Goerion zijn inspiratie meer uit de bijbel dan uit het socialisme, en zijn geweten heeft hem er geen moment van weerhouden tot onteigening en verdrijving van de Palestijnen over te gaan.

Moshe Dayan draaide er net zo min omheen als Jabotinski. In 1956 sprak hij een grafrede uit voor een door Palestijnen bij Gaza vermoorde Israeli:

‘Laten we de moordenaars niet bedelven onder beschuldigingen. Hoe kunnen we klagen over de diepe haat die ze tegen ons koesteren? Acht jaar lang hebben ze in de vluchtelingenkampen van Gaza gezeten, en voor hun ogen hebben wij het land in bezit genomen waar zij en hun voorouders op geleefd hebben… Wij zijn de generatie van kolonisten, en zonder de stalen helm en de loop van een geweer kunnen we geen boom planten en geen huis bouwen… Laat ons niet terugdeinzen voor de haat waarmee het leven van honderdduizenden ons omringende Arabieren is vervuld. Laat ons onze ogen niet afwenden, opdat onze hand niet verzwakt. Dit is het lot van onze generatie. Onze keuze moet zijn om paraat en gewapend te zijn, sterk en onverzettelijk, want als het vuist om ons zwaard verslapt, zullen onze levens verpletterd worden’.

Is zionisme racisme?

Michael Warschawski, die in 1949 werd geboren als zoon van de opperrabbijn van Straatsburg, en in 1966 naar Israel emigreerde, noemt zich inmiddels een antizionist. Wat niet wil zeggen dat hij tegen Israel is. Hij gaat er van uit (daar kom ik nog op terug) dat Israel moet kiezen om een gewone democratie te worden, met gelijke rechten voor alle burgers, ongeacht geloof of etniciteit.

img054.jpg
(Michael Warschawski)

Het zionisme, stelt hij, streefde ernaar het Joodse vraagstuk op te lossen door de Joden van de hele wereld over te brengen naar Eretz Israel en daar een souvereine staat te stichten. In deze definitie is niet vervat dat het Joodse volk een superieur ras, of dat de Arabieren inferieur zouden zijn. Zo bekeken is het zionisme niet inherent racistisch. Maar wanneer we racisme definieren als discriminatie op grond van nationale, raciale, religieuze of etnsiche achtergrond, dan is het zionisme weliswaar als ideologie niet racistisch, maar is het dat in de praktijk, het zionistische project en de zionistische staat wel degelijk. Het is een klassieke koloniale ideologie, die de bedoeling had de ellendige positie van de Joden te verbeteren zonder acht te slaan op de oorspronkelijke bewoners van het land.

Het zionisme houdt eenvoudig geen rekening met de Arabieren en beschouwt hen bij de opbouw van de Joodse staat als een ‘ecologisch’ probleem. Zoiets als moerassen of malaria overbrengende muggen, stelt Warschawski. Het onderscheid maken tussen Joden en Arabieren zit in de genetische code van de staat Israel gebakken en heeft een doorslaggevende rol gespeeld bij het formuleren van de wetten, het stellen van nationale prioriteiten en het scheppen van een overheersende cultuur.

(wordt vervolgd)

5 gedachten over “Over zionisme (1)

  1. Blij dat je weer terug bent Anja. Ik heb de afgelopen dagen veel gelezen hier en veel geleerd daardoor. De beelden van de afgelopen dagen kan ik niet langer verdragen en de tranen stonden me in de ogen.

    Als ik het goed begrijp dan is het de vraag of de rechten van de Palestijnse minderheid in Israël wel gewaarborgd kunnen blijven met een Joodse meerderheid ook als daar een democratie is ongeacht etniciteit en religie. Is het wel het afdoende antwoord om het onrecht dat de Palestijnen is aangedaan recht te zetten? Dat lijken me zinnige vragen en zouden de Joden in het Midden Oosten eigenlijk niet beter kunnen assimileren?

  2. Nee, dat is niet een afdoende antwoord om het onrecht dat de Palestijnen is aangedaan recht te zetten, maar het is een goed begin. Een werkelijke democratie houdt uiteraard rekening met minderheden. In een werkelijke democratie is de vraag welke etnische groep de meerderheid heeft op den duur irrelevant.
    En ‘assimilatie’, dat wil zeggen opgaan in de meerderheid zonder jezelf te kunnen blijven lijkt me nooit een antwoord, maar wel zou Israel kunnen besluiten dat ze geen voorpost zijn van Europa, maar een deel van het Midden Oosten. Er zou veel meer aan gedaan kunnen worden om de relaties met de buren daar goed te krijgen en de allereerste voorwaarde daartoe is dat de bezetting van Palestijns gebied wordt opgeheven.

  3. Terwijl ik je uiteenzetting hierboven lees, besef ik dat voor mij (ik ben van ’53 en dus 53) de ideologie van het zionisme al heel vroeg bekend was. Ik herinner me dat ik bij de padvinderij meedeed aan een landelijke wedstrijd, ik was 15, en als prijs (niet toevallig, er waren banden tussen padvinderij en zionisme) het boek ‘Tirtsa’ kreeg, van Clara Asscher-Pinkhof. Het verhaalt van Tirtsa, (een tsabre, in Palestina geboren Israëlisch meisje) ze groeit op in een kibboets. Het speelt kort na WO II, waardoor de stichting van de staat Israel verteld kan worden via Tirtsa. Ik weet zeker dat die boodschap mij toen geheel ontgaan is, ik was geobsedeerd door de voor mij splinternieuwe ideeën over opvoeding en gelijke rechten in een kibboets. Over kinderen die niet door hun ouders, maar door het collectief werden opgevoed en de autonomie die dat voor kinderen opleverde. Ik vereenzelvigde me in sterke mate met Tirtsa, zo onafhankelijk, vrijdenkend en volwassen wilde ik ook mogen zijn. Het boek is van 1952, ik las het in 1968, maar dat het onderwerp van het boek zich toen in werkelijkheid niet al te vreedzaam manifesteerde, is me volkomen ontgaan. Ik kan het me tenminste niet herinneren.

    Gisteren heb ik nieuwsgierig stukken uit het boek herlezen. Wat zegt Asscher-Pinkhof over de Palestijnen? Tirtsa ontmoet ergens een Arabisch herdersjongetje Achmed, dat haar helpt als ze haar knie heeft bezeerd. Later gaan ze de arme Arabische familie room brengen, als dank voor de hulp. Geen woord over de situatie van de oorspronkelijke bewoners van Palestina, behalve dat ze arm zijn. Op een kaart achterin wordt wel openlijk gesproken over de bezette gebieden. Palestina is Israel en de Palestijnen worden Arabieren genoemd en daarmee zijn de kibboetsiem in oorlog. Wel is Tirtsa blij dat het dorpje van haar vriendje Achmed niet beschoten wordt, hoewel ze zich realiseert dat er vele Achmeds zijn. Aan het einde van het boek, als ze jong-volwassen is geworden, trekt Tirtsa met de jeugdgroep waarin ze is opgegroeid naar het noorden en sticht daar een nieuwe kibboets, Ramat Atid. Ik vond het prachtig en ging op zoek naar andere boeken over de joodse cultuur en het zionisme. Las verder alles van Asscher-Pinkhof.

    Later had ik een hartsvriendin, we waren zestien, die ook bezeten was van het zionistisch ideaal, ook al was ze zelf christen (ze sleepte me ook mee naar Youth for Christ). Ze ging in de zomervakanties werken in een kibboets en is er een paar jaar later, na haar eindexamen, voorgoed heengegaan. Zo wilde ze leven. Zelf heb ik op de middelbare school twee jaar de facultatieve lessen Hebreeuws en Ivriet gevolgd. Niet omdat ik dezelfde aspiraties had als mijn vriendin, maar wel omdat het me mateloos boeide, trok. Ik had er extra lestijd voor over.

    Wat ik bedoel te zeggen, is dat het verhaal van het zionisme niet alleen een politiek verhaal is. Het was voor mij als kind eerst en vooral het verhaal van een utopie, een andere en voor mij gloednieuwe manier van samenleven. Ik was daar heel gevoelig voor en ben dat ook lang gebleven. Pas toen het Palestina Komitee zich ging roeren, begin jaren 70, ging ik me interesseren voor de politieke achtergronden. Daar schrok ik flink van, ja. Ook voor mij braken de jaren des onderscheids aan.

    Natuurlijk word je door zo’n jeugdboek geïndoctrineerd. En zo zal het altijd zijn, dat kinderen geïndoctrineerd worden. Ik zag op de site joods.nl een bepaald niet fris computerspel voor joodse kindertjes, waarmee ze hezbollah virtueel te lijf kunnen gaan. Ik twijfelde er niet aan, dat de kindertjes van de tegenpartij ook zulke spelletjes krijgen toegediend en het was ook niet moeilijk op internet voorbeelden te vinden. Het enige opmerkelijke is, dat die islamitische spelletjes door het westen worden veroordeeld, maar hun eigen spelletjes worden toegejuicht.
    http://www.joods.nl/content/view/40840/138/
    http://www.newstribune.com/articles/2003/05/25/export16774.txt

    Als een staakt het vuren dan niet mogelijk is, misschien kunnen beide partijen in eigen huis beginnen met een onmiddellijk staakt het indoctrineren.

    Voor geïnteresseerden nog twee fragmenten uit ‘Tirtsa’. Het eerste gaat over het uitroepen van de staat Israel:
    http://claars-notes.nl/van%20alles/tirtsa%201.jpg

    Het tweede is een nawoord van de schrijfster bij de 4e druk van 1968 (!!!):
    http://claars-notes.nl/van%20alles/tirtsa%202.jpg

  4. Ja, Claar. Zo had ik het met de film Exodus. Paul Newman, zo\’n nieuwe mens, met blauwe ogen, fier, niet meer het gettoslachtoffer. Mooie muziek. Utopisch en heroisch en romantisch. Ze gingen na die verschrikkingen een nieuw land opbouwen. Dat beeld is er lang in gebleven.

  5. Wat een walgelijk nawoord, Claar. Israël zet uitnodigend de vredesstoelen klaar, maar helaas, die blijven leeg. De tegenpartij wil geen vrede, het gelijk is dus aan onze kant.

    Ik heb vroeger ook wel boeken over utopiën gelezen, dat hoort bij de jeugd denk ik, dan ben je (nog) vol idealen, terwijl je de realiteit nog niet kunt overzien. Utopiën zijn meestal totalitair, hoe sociaal voelend, vernieuwend, rechtvaardig ze ook worden gepresenteerd. Van alle deelnemers wordt verwacht dat ze zich 100 % achter het ideaal scharen, voor kritiek is geen ruimte. Wanneer een utopie over de ruggen van anderen in praktijk gebracht wordt is ze al mislukt.

    In een andere discussie over olijven plukken (op de Westoever) en kibbutzim werd aangevoerd dat sommige kibbutzim toch op eerlijk gekocht land waren gesticht door heel welwillende mensen. Mijn wrange commentaar was dat die welwillende mensen het moorden niet hebben weten te verhinderen. Dar is inderdaad sprake van het onderscheid in staatsmannen en de mensen die aan weerszijden van de grens wonen. Je kunt je echter afvragen of het beter zou aflopen als die de macht hadden: wat gebeurt er bijvoorbeeld als mensen weliswaar vreedzaam willen zaaien en oogsten, maar dat doen op land dat iemand anders is ontstolen? Heb je dan niet toch meer aan – wijze – staatsmannen (en vrouwen)?

Reacties zijn gesloten.