Jonathan Cook wint Martha Gellhorn prijs

cook.jpg

Journalist Jonathan Cook is een van de drie journalisten die de Martha Gellhorn prijs heeft gewonnen. Cook woont in Nazareth, tussen de Palestijnen. Hier

Cook komt vaak op mijn weblog voor, en ook in mijn laatste boek heb ik dankbaar gebruik gemaakt van zijn artikelen en zijn research. Mooi dat hij die erkenning krijgt, en terecht.

Ik drukte een tijd geleden een interview met hem af.
English: Hier.

Ik heb Jonathan Cook nooit persoonlijk ontmoet, want langzamerhand een wonder mag heten, maar hij is voor mij een bijzonder gewaardeerde journalist en schrijver. Zijn boeken en artikelen zijn belangrijk voor me, omdat ze kritisch zijn en ontzettend goed geresearched, en ook voor mijn komende boek heb ik dankbaar gebruik van zijn werk kunnen maken. Er zijn weinig westerse journalisten te vinden die er echt voor kiezen om vanuit de Palestijnse kant aan het werk te gaan. Ook is hij erg belangrijk omdat hij als eerste westerse journalist laat zien wat er gebeurt met de Palestijnen die binnen Israel leven. Ik kwam een interview met hem tegen, en dat leek me een goede introductie. Verder kun je meer van Jonathan Cook lezen op mijn weblog: hier, hier, hier en hier. En hij heeft een website: hier.

Van Boycots tot Bil’in

Jonathan Cook is een Britse journalist die gevestigd is in Nazareth, de grootste Palestijnse stad in Israël. Zijn werk wordt regelmatig gepubliceerd door The Electronic Intifada. Zijn laatste boek, Disappearing Palestine: Israel’s Experiments in Human Despair, werd gepubliceerd door Zed Books in oktober vorig jaar. Hij sprak onlangs met Jeff Gore over zijn werk en zijn analyse van de huidige situatie.

Jeff Gore: Hoe ben je voor het eerst geïnteresseerd geraakt in het Midden-Oosten, met name in de kwestie van Israël/Palestina?

Jonathan Cook: Het was een geleidelijk proces dat meer dan tien jaar heeft geduurd. Ik raakte geïnteresseerd in de Arabische cultuur toen ik met een rugzak door Marokko trok, toen ik begin twintig was. Later kreeg ik mijn eerste nog oppervlakkige indrukken over het Israelisch-Palestijnse conflict tijdens de Oslo-jaren, toen ik vanuit Jordanie een driedaags tripje maakte naar Jeruzalem. Ik maakte een wandeling langs de muren van de Oude Stad, en zag opeens een stel Israelische soldaten die bezig waren twee Palestijnse jongens, zo’n twaalf jaar oud, in elkaar te slaan, zo te zien zonder enige reden. Het verontrustte me, hoewel ik niet kan zeggen dat ik toen erg politiek bewust was, net als de meeste toeristen dat niet zijn, en stopte het ergens in mijn achterhoofd weg.

Mijn nog wat vage interesse in het Midden-Oosten werd meer uitgesproken toen ik als journalist werkte bij de afdeling buitenland van de Guardian. Ik begon het gevoel te krijgen dat de krant ons niet het gehele beeld gaf van wat ik waarnam op mijn reizen. Eerst dacht ik dat het aan mij lag, en ik deed een twee-jaar durende Masters in de Midden-Oosten politiek aan de Universiteit in Londen. Tegen het einde daarvan raakte ik er nog meer van overtuigd dat de media tekort schoten. Als onderwerp voor mijn eindscriptie koos ik de kwesties met de landonteigening van de Palestijnse staatsburgers van Israël die in Galilea wonen. Toen ik daar onderzoek voor deed werd het mij duidelijk dat je het conflict veel beter kon begrijpen als je je verdiepte in Israëls politieke beleid ten aanzien van de Palestijnse minderheid. Het verbaasde me nogal dat niemand zich daar mee bezig hield, in ieder geval, toen nog niet. Uiteindelijk, in 2001, besloot ik om mijn baan in Londen op te geven en naar Nazareth te verhuizen om daar een boek te schrijven over de manier waarop Israël om gaat met de Palestijnse minderheid aan het begin van de tweede intifada. Ik verwachtte dat binnen een jaar af te hebben, maar ik deed er vijf jaar over – en ik ben acht jaar later nog steeds in Nazareth.

JG: Op je website staat “er zijn opvallende en verontrustende overeenkomsten tussen de ervaringen van de Palestijnen in Israel, en die op de Westoever en in Gaza”. Dat is ongetwijfeld waar, maar de bezetting heeft nu zo lang geduurd dat er zeker ook verschillen zijn. Hoe verschillend is de manier waarop de Palestijnse staatsburgers van Israël naar de zaken kijken, vergeleken met die in de bezette gebieden?

Die opvallende overeenkomsten slaan op de manier waarop Israël de Palestijnen behandeld die leven onder hun heerschappij. Israël hanteert een erg geavanceerde manier van ‘verdeel en heers’. Vanaf het begin hadden ze het in Israël over hun Palestijnse burgers steevast als over ‘Arabieren’, om hun Palestijnse identiteit te ondermijnen, en ook over ‘de minderheden’. Israëls doel was om de mensen in een serie van sub-identiteiten op te delen, moslims, christenen, bedoeïenen, en druzen. De druzen kregen officieel de status van een aparte nationaliteit, met een eigen onderwijssysteem, en de vereiste dat ze naast de joden in het leger zouden dienen.

Maar ook binnen deze groepen werden weer onderscheidingen gemaakt: tussen de bewoners van erkende gemeenschappen en die van niet-erkende gemeenschappen; tussen hen die interne vluchtelingen werden en die elk recht op hun bezit verloren, en anderen die hun bezit nog mochten houden. Tussen diegenen die in ‘gemengde steden’ woonden, en anderen in afgesloten Arabische gemeenschappen. En tussen de verschillende gebieden: Galilea, de ‘Driehoek’, en de Negev. Daar bovenop slaagde Israël er in op politieke verschillen tegen elkaar uit te spelen, zodat er vele splitsingen zijn tussen de belangrijkste Arabische partijen en zelfs de Islamitische partij uiteenvalt in twee vijandige vleugels.

De Palestijnse minderheid in Israël werd pas laat wakker voor ze dit spel ontdekten eind jaren negentig, gedurende het Oslo proces, om verschillende ingewikkelde redenen die ik beschrijf in mijn boek Blood and Religion. Het gevolg was een tot op heden onovertroffen herstel van de Palestijnse identiteit om al die onderlinge belemmerende tegenstellingen te overwinnen. Ondanks dat is het een zware klus en nog allesbehalve gewonnen.

Het is interessant dat de Palestijnen binnen Israël net hun behoefte aan eenheid ontdekten in dezelfde tijd dat de Palestijnen in de bezette gebieden zwichtten voor de verdeel-en-heers tactiek van Israël. Israel slaagde er onder de dekmantel van het Oslo-proces in om ook de Palestijnen in de bezette gebieden op te delen, door de Westoever onder te verdelen in A, B en C gebieden – een manier om het Palestijnse leven op verschillende manieren te verstoren. Dat proces ging nog een tijdje door met de scheiding tussen de al vergaand uit elkaar getrokken Westoever en de Gazastrook, en tussen Fatah en Hamas.

JG: Vergeleken met de Westoever en Gaza is er weinig media belangestelling voor de Golan Hoogte. Ik denk omdat daar weinig sprake is van ‘actie’. Toen ik het Syrische dorp Majd al-Shams bezocht in de bezette Golan zag ik geen checkpoints, naambordjes in het Hebreeuws, en zag ik dat de Syriërs daar aanzienlijk meer vrijheid hebben dan de Palestijnen op de Westoever en in Gaza. De laatste opleving van Syrische woede was alweer meer dan een kwart eeuw geleden, tijdens de staking in 1981, en de intifada blijft nog steeds een Palestijnse strijd. Waarom denk je dat het op de Golan zoveel rustiger is?

De belangrijkste reden is dat de druzen in de Golan, anders dan de Palestijnen in de bezette gebieden, niet vechten voor hun nationale bevrijding – ze wachten op Syrië om te onderhandelen over hun terugkeer. Een druzische intifada zou onzinnig zijn omdat die kleine druzische gemeenschap in de Golan niet van plan is om zelfstandig hun eigen zaken te regelen. Op een bepaalde manier lijken de druzen op de Golan meer op de Palestijnen binnen Israël. Beiden zitten min of meer in een limbo, in afwachting, tot de grotere nationale groep waar ze bij horen aanwijzingen heeft waar het heen gaat.

Ook moet je niet vergeten dat het nederzettingenbeleid op de Golan praktisch is mislukt, het is daar nog overwegend leeg. De kolonisten zijn nauwelijks zichtbaar, en belagen de druzen van de Golan zeker niet op dezelfde manier waarop de kolonisten van de Westoever dat doen.

JG: Ik nam pas deel aan een debat over de effectiviteit van de wekelijkse protesten bij de afscheidingsmuur in de dorpen op de Westoever, Bil’in en Nilin, die meestal eindigen in het over en weer gooien van stenen en traangasgranaten. De ondersteuners van het protest zeggen dat het een symbool is van de onverwoestbare vasthoudendheid van de Palestijnen, een teken dat ze zich er niet onder laten houden en dat Israel nooit rust zal kennen zolang ze zich blijven gedragen als een illegale bezettingsmacht. Maar de tegenstanders zeggen dat het die schietgrage soldaten een excuus geeft om te schieten en te doden, en dat ze elke week met plezier uitkijken naar hun militaire spelletjes en oefeningen. Hoe kijk jij tegen dat protest aan?

JG: De media schilderen het protest vaak af als een knokpartij tussen heethoofdige jonge Palestijnse stenengooiers en opgewonden Israëlische soldaten. Dat is voor het grootste deel fictie. Aan de Palestijnse kant vindt je een dwarsdoorsnede van de dorpen die in verzet zijn, inclusief hun leiders, en dorpelingen van middelbare leeftijd die een gezin te onderhouden hebben. Er is veel moed voor nodig om regelmatig tegenover een tot de tanden gewapende groep Israëlische teenagers te gaan staan, waarvan een aanzienlijk deel bestaat uit joodse religieuze fanaten die geloven dat ze een heilige oorlog aan het uitvechten zijn, en waarvan velen geloven dat ‘de Arabieren’ een primitief en barbaars volk zijn. Het kan waar zijn dat sommige soldaten het wel leuk vinden om hun wapens te mogen gebruiken – telt dat niet voor alle soldaten? – maar ik zie niet waarom dat een reden zou zijn waarom het niet goed zou zijn voor Palestijnen om te protesteren.

En wat de effectiviteit betreft – het antwoord is dat de protesten absoluut succesvol zijn geweest. Als we zien welk naakt geweld Israël gedwongen is om in te zetten tegen de demonstranten, en alle er op volgende razzia’s om de demonstranten op te pakken, dan begrijpen we dat het voor Israël wel degelijk een zorg is. In het geval van Bil’in en ook elders is het gelukt om de route van de muur te laten verplaatsen zodat een paar dorpen nog iets van hun broodnodige bouwland hebben kunnen behouden. En de protesten zijn een manier voor gewone Palestijnen om het gevoel te houden dat ze nog meespelen in het conflict, zowel tegen de Israelische onderdrukking als om druk uit te oefenen op hun eigen corrupte Palestijnse gezag om de zaak op de agenda te houden. Door de muur tussen Gaza en Egypte omlaag te halen, bijvoorbeeld, lieten gewone Palestijnen zien wat ze met een beter georganiseerde campagne van burgerlijke ongehoorzaamheid zouden kunnen bereiken. Als Israel doorgaat met het aanscherpen van het heersende apartheidssysteem op de Westoever zijn zulke campagnes van burgerverzet vrijwel zeker wat we in de toekomst vaker zullen gaan zien.

JG: Hoe belangrijk denk jij dat de boycot, desinvestering en sancties (BDS) beweging is in deze fase van het conflict?

Het is een enorm belangrijke ontwikkeling in de strijd voor Palestijnse zelfbeschikking. Ik ben er van overtuigd dat het er tijd voor is.

Dit is een Palestijns grass-roots initiatief dat niet kan worden omgekocht, zoals de leiders van Fatah werden omgekocht bij Oslo. Het empowert, versterkt de Palestijnen door hen de gelegenheid te geven zelf de breedte en de agenda van hun strijd vast te stellen, zoals bijvoorbeeld de oproep aan kunstenaars om niet op te treden in Israël. En het geeft mensen buiten het gebied de gelegenheid om solidariteit te tonen met de Palestijnse strijd en creatief na te denken over hoe ze de BDS actie in hun eigen land vorm kunnen geven. En juist de controverses en het debat dat het oproept geeft hen de kans om zich te engageren het publiek dat maar een vage notie heeft dat er ergens problemen zijn voor te lichten. En als de BDS beweging werkelijk momentum verzamelt, kan het werkelijk de Israëlische economie schaden. Uiteindelijk is er geen andere manier om een einde te maken aan de Israëlische bezetting, als de Israëli’s niet doorkrijgen dat ze een zware prijs moeten betalen voor het voortzetten van de bezetting. Dat zouden de VS binnen een etmaal voor elkaar kunnen krijgen wanneer ze hun enorme subsidies aan Israël in zouden trekken, maar ik geloof niet dat we daarop hoeven te rekenen. Beter is het dat de BDS beweging ons de gelegenheid geeft om Israël te laten zien dat de bezetting uiteindelijk niet loont.

En wat betreft de Palestijnse ondersteuning aan de BDS beweging – het is nog vroeg dag. In mijn ervaring weten veel gewone Palestijnen in de bezette gebieden en in Israël nog niet voldoende van die acties en welk belang die kunnen gaan hebben. En misschien zijn er ook Palestijnen die nog niet meteen willen geloven dat de mensen die zolang hun onderdrukkers hebben ondersteund nu in staat zijn om bij te dragen aan een oplossing. Maar mijn indruk is dat de belangstelling en de steun voor de BDS beweging onder Palestijnen aan het groeien is.

JG: Sinds jij in Nazareth woont, bevindt jij je in een tamelijk unieke positie van een journalist met sympathie voor het lot van de Palestijnen. Gezien het feit dat Israël er niet tegen opziet om diegenen die fundamentele kritiek hebben op hun beleid te arresteren, censureren of de toegang tot het land te ontzeggen, hoe heb jij het professioneel al die jaren overleefd in Israël?

Twee redenen. In de eerste plaats ben ik geen werkelijke bedreiging voor Israël, dus waarom zouden ze de aandacht op mijn werk vestigen door mij als voorbeeld te stellen? Net als andere journalisten die tegen de officiële opvattingen in Israël ingaan ben ik uitgesloten van de mainstream media. Ik schrijf op het internet voor westerse lezers die al weten hoe beroerd het hier is, al hoop ik nog wat details toe te voegen die ze nog niet wisten, en voor de Arabische media die in het westen routinematig als onbetrouwbaar worden weggezet. Ik heb in het begin wel geprobeerd om uit dit getto te breken. Ik schreef stukken voor The International Herald Tribune, wat een soort gesyndicaliseerde versie van de New York Times is. Waarop de pro-Israël lobbygroepen niet wisten hoe snel ze in actie moesten komen, en hun voetvolk aan het werk te zetten om protestbrieven te sturen naar de redactie in een hoeveelheid die ze nog niet eerder hadden meegemaakt en waarschijnlijk ook niet meer mee zullen maken. Dus ze lieten mij al spoedig vallen. Israël hoeft dat soort werk niet echt zelf te doen: er zijn een hele reeks van organisaties erg goed in dit soort spul om Israël mee te helpen.

De tweede reden is dat ik met een Israëlische staatsburger ben getrouwd, ook al is dat iemand van de Palestijnse minderheid, en ik heb een verblijfsvergunning gekregen. Als Israël me het land uit zou willen zetten, dan zou ik het recht hebben om een aanklacht in te dienen bij de rechtbank. En ik zou waarschijnlijk gelijk krijgen omdat ik een westerling ben – het zou er al veel slechter voor me uitzien als ik Palestijn of Arabier zou zijn, en omdat het moeilijk aan te tonen zou zijn waarom ik een bedreiging zou zijn voor de veiligheid van Israël.

JG: Gezien het feit dat je al meer dan tien jaar over dit onderwerp schrijft, en drie boeken hebt geschreven over Israël’s politiek, welk advies zou jij geven aan freelance journalisten die er in geïnteresseerd zijn om over dit deel van de wereld te schrijven?

Nou, allereerst moet je een keuze maken: ga je verslaggeven volgens de voorgeschreven manier van de mainstream media, of ga je schrijven over wat je zelf waarneemt terwijl je dan veel moeite zult hebben op opgemerkt te worden en genoeg brood op de plank te krijgen? Alletwee de opties zijn niet simpel.

Als je de eerste weg kiest, heb je het probleem dat er nergens meer een conflict te vinden is waar al zoveel over geschreven is dan deze kwestie. Er lopen hier massa’s journalisten rond, met veel ervaring, dat wil zeggen, ervaring in het schrijven van steeds diezelfde suffe verhalen waar niemand zich een buil aan kan vallen, en waar niemand in Israël of thuis op de redacties zich aan zal storen. Maar het is niet eenvoudig om een voet tussen de deur te krijgen.

En iedereen die besluit om het tweede pad te volgen kan er maar beter rekening mee houden dat je in de marges van de media moet opereren. Er is nauwelijks geld mee te verdienen als je kritisch schrijft over Israël. Ik had mazzel dat ik van mijn tijd bij de Guardian spaargeld overgehouden had. Dat is een luxe die de meeste jonge journalisten niet hebben.

En de derde manier is om afstand te doen van dit traditionele journalistieke model en een weblog te beginnen. Er zijn nog steeds mogelijkheden, al hoewel die snel afnemen, om je in een gemeenschap op de Westoever te vestigen – in Gaza kan dat al niet meer omdat Israel de toegang controleert – en van daaruit ooggetuigenverslagen de wereld in de sturen. Daar ben je nog niet meteen een Seymour Hersh of een Robert Fisk mee, maar het is toch belangrijk als je een van de weinige werkelijke ooggetuigen bent van wat zich daar afspeelt.

Jeff Gore in een journalist uit Athene, zijn verslagen over een zomer in Palestina zijn te lezen op holylanddispatches.blogspot.com

4 gedachten over “Jonathan Cook wint Martha Gellhorn prijs

  1. Als je hem ziet, Trees, doe hem de groeten en zeg dat ik veel aan hem heb gehad, en dat ik hem graag een keer wil ontmoeten als ik in Israel ben. (En dan kan ik eindelijk eens zelf een foto van hem maken en hoef ik die niet via google ergens vandaan te pikken. Ik heb zowat van iedereen een foto ondertussen)

  2. Is een goed idee, Trees. Nu ik geen volksvertegenwoordiger ben maar een gewoon mens hoort dat weer tot de mogelijkheden, ik kom graag weer eens.

Reacties zijn gesloten.