Wij

‘De vraag is wie we bedoelen als we wij zeggen’, zei de Amerikaanse, joodse, feministische, lesbische dichteres, moeder van vier zoons, Adrienne Rich.
We gebruiken dat woord wij zo argeloos, zonder er bij na te denken. Tegelijk is er geen ander woord met zo’n diepgaande politieke lading, want we zeggen daarmee niet alleen wie er bij ons horen, maar ook wie we uitsluiten.

Gisteren was ik als gastspreekster aanwezig bij een trainingsdag van de Novib, 350 mensen. Een van de thema’s was het wij-en-zij denken. Dit is wat ik zei.

Afgelopen week zat ik met Jan op het stand van Tel Aviv te praten met onze vriend Uri Cohen, de oprichter van Meeting the Enemy, een groep van Palestijnen en Israëli’s in Nederland. We hadden het over dat woord wij. Uri herinnerde zich een cartoon, van twee WCdeuren. Inplaats van ‘mannen’ en ‘vrouwen’ stond daarop ‘wij’ en ‘zij’. En kijk wat merkwaardig, voor de deur met wij stond een lange rij, en niemand wilde op de WC waar zij op stond, terwijl we toch weten dat er erg veel mensen bij hun horen dan bij ons.

Ik hoorde pas een blanke vrouw zich zorgen maken over die toevloed van vreemdelingen in ons land. ‘Als ik straks kleinkinderen heb zijn we in de minderheid’, zei ze. Waar ze nog geen rekening mee hield is dat haar kleinkinderen misschien wel een kleurtje hebben. Wat moet ze dan met dat blanke woord wij? Moet ze het oprekken om er haar gekleurde kleinkinderen in op te nemen, mogen er dan meer mensen met een tintje in, of houdt ze de grenzen van het wij gesloten?

Gisteren zat ik in een taxi. Altijd een mooie plek voor bespiegelingen. De chauffeur was beige. Hij was geboren in Nederland en sprak beter Amsterdams dan ik. Zijn ouders kwamen uit Marokko. Zijn vrouw, ook in Nederland geboren, ook beige, ook met Marokkaanse ouders kreeg ruzie met hem. We zijn Nederlanders, zei ze. Dat dacht je maar, zei hij. Een paar jaar geleden nog wel, maar nu niet meer. Nu zijn we allochtonen en onze kinderen krijgen ook een kleurtje, en die zijn straks ook allochtonen. We kunnen we maar beter rekening mee houden dat we hier voor altijd als vreemdelingen gezien worden. Dus tegenwoordig zeg ik: ik ben Marokkaan.

Jan en ik brachten vorige week, voordat we aan dat strand in Tel Aviv zaten, een bliksembezoek aan checkpoint Erez, de door Israël gecontroleerde toegang tot de Gazastrook. Ik vind dat al heel erg lang een nare en dreigende plek. Op die plaats moet ik afscheid nemen van mijn Palestijnse vrienden die er niet uit mogen. De militairen daar besluiten of wij er in mogen om ons werk voor gehandicapten te doen, en dat werd steeds moeilijker. Dus vroegen we een gesprek aan met de hoogste legerleiding daar, captain Levy. Ik had er erg tegenop gezien. Maar kijk: captain Levy bleek een vrolijke, praatgrage jonge joodse man die afkomstig was uit Brooklyn, en hij wilde ons best helpen. Ik keek die Levy aan en dacht: onder andere omstandigheden zou je mijn vriend kunnen zijn. Dat was een ervaring die me onthutste. Toen we terugliepen van het kantoor naar de checkpoint zag ik de soldaten anders: het bleken gewone teenagers in uniform, in plaats van dreigende overheersers. Even was er een bres geslagen in de muur van het wij, die voor de Palestijnen opkomen, en zij, die deel uitmaken van de bezettingsmacht. Veranderde daardoor mijn politieke visie? Nee hoor, ik vind nog steeds dat Israël de mensenrechten schendt, en de Palestijnen onderdrukt. Maar even, door dat gat in de muur van het wij en zij, kon ik weer zien wat ik bijna was vergeten: waar we heen willen.

Af en toe een bres in dat onzichtbare pantser, een gat in de muur van het wij en zij, zodat we niet vergeten waar we heen willen, dat is wat ik ons toewens.

5 gedachten over “Wij

  1. Het wij en zij denken heeft mij altijd bijzonder geïntrigeerd. Nu heeft het bij ons thuis vroeg al een zware impact gehad omdat we nu eenmaal anders waren, als Palestijn, moslim en ook nogeens met donker haar. Toch bleek later dat ik kennelijk niet zo anders was als ik altijd gedacht had.

    Ik kwam er achter dat veel mensen vaker geneigd zijn om mensen in ‘wij en zij’ onder te verdelen op gronden die nergens op slaan. Een klein voorbeeldje: Turken en Marokkanen zijn zwart, terwijl Italianen en Spanjaarden weer blank zijn. Nu ben ik een Arabier en reis ik geregeld door Europa. Ik krijg dan bijna standaard de vraag of ik niet Italiaans, Frans of Spaans ben. Het grappige is dat wanneer ik weer terug in Nederland ben en dat vertel aan mijn autochtone kennissen, zij reageren met: “Huh hoe kan dat nou, jij bent toch niet blank en je ziet er duidelijk Arabisch uit.” Misschien omdat ze het weten, want de keren dat oude mensen bij de tramhalte of in de metro met mij kletsen over die buitenlanders die de buurt vervuilen liegen er niet meer om. Zolang ik mijn naam niet zeg, denken veel mensen dat ook ik autochtoon ben.
    Zeker van deze zaak was ik toen ik achttien werd. The eye-opener was toen ik me, na jaren het gevoel had anders behandeld te zijn op school en in de wijk, ging keuren voor de dienstplicht totaal geaccepteerd werd door iedereen. Dat is een gekke ervaring, weet zelfs niet zo goed hoe ik het moet uitleggen. Alles was anders, de manier waarop de anderen dienstplichtigen met me spraken, de openheid die ik opeens bij de Nederlandse man trof (ik dacht altijd dat ze erg kil waren) en gewoon to be one of the guys. Het was een geweldige ervaring. Maar later bedacht ik me wel hoe fout het was dat ik me al die tijd niet geaccepteerd gevoeld heb en dat ik dat dus kennelijk niet alleen aan mezelf te danken had, maar vooral door vooroordelen.
    En zo heb ik nog een voorbeeld hoe vooroordelen tot rare stappen kunnen leiden: twee Turkse vrienden – toen ook een jaartje of 18 – ging regelmatig uit in Rotterdam. Als ze gingen stappen zeiden ze standaard dat ze Italiaans waren, spraken Turks met elkaar met een zwaar Italiaans accent en noemden zichzelf Tony en Mario. De meisjes vielen als bosjes voor ze en het was gegarandeerd scoren later die nacht, recht in het doel. Een kat in het nauw maakt rare sprongen zei mijn grijze buurvrouw altijd tegen mijn moeder en gelijk heeft ze. Die jongens zeiden me dat als ze een paar keer in Vlaardingen uit zijn gegaan, waar iedereen wist dat ze Turks waren, alle meiden wegliepen als ze een praatje wilden maken. Om toch te scoren bedachten ze hun Italiaanse act.

    Het ‘wij en zij’ denken zal helaas altijd bestaan, maar met mijn voorbeelden wil ik aangeven dat het ook heel vaak gewoon tussen de oren zit van de simpele zielen waartoe wij allen behoren.

  2. Niet om het een of ’t ander, maar het lijkt me meer voor de hand liggen dat het kwam omdat ze uit Vlaardingen komen.

  3. Of is de drang zich van een ander te onderscheiden te groot ?

    Die drang hoeft niet fout te zijn. Maar zeg dan “IK” in plaats van “WIJ”. Individualisme is een van de mooiste dingen die we van de schepper/evolutie gekregen hebben vind ik.

    Het ‘wij en zij’ denken, zoals Imad el Kaka het zo mooi noemt, heeft inderdaat altijd iets vijandigs.

    Als je woordvoertster/der bent van een bebaalde groep zou je graag het woord “wij” in de mond nemen. Om dat het makkelijk is. Toch kan het anders of beter ” Ik als woordvoerster van groep-x ” klinkt al minder vijandig dan “Wij”. Maar mischien kun je je beter af vragen waarom wil/ben ik bij een groep? Waarom wil je onderscheid maken als collectief? Is dat geen discriminatie ?

    Is het het een evolutie-stapje van Individualisme naar gemeenschap of zelfs organisme ? of juist anderom ?

    Ik hou het er maar op dat het vormen van een groep de overlevings kansen van het individu, binnen deze groep, aanzienlijk vergroot. Dit gaat zolang door, zelfs na dat groepen groepen zijn gaan vormen, totdat het gemiddelde aan overlevings kansen van de indiviuen binnen een groep omlaag gaat. Dan word een andere groep een berdreiging. Het egoistische denken, “Het ‘wij en zij’ denken” is hier op zijn maximum.

    Intresant woord, dat ” wij ”

    Ik ga er filosofiesch van brabbelen. 🙂

  4. Moraal van het verhaal en mijn basisfilosofie: “Wij zijn allen één”.

    De S.P. zit op de goede weg inzake hun integratiestandpunt. De oude partijen hebben teveel de groepsvorming in wijken bijv. gedoogt; later werd dit ghettovorming met zich steeds meer polariserende groepen en vervreemding van normen en waarden.

    #1 Het proces, als beschreven in je dienst tijd is niet ongewoon. In dienst, leer je elkaar goed kennen en ben je lid van een team. Dit wordt door de legerleiding gestimuleert. In zekere zin wil de S.P. dit ook via hun integratiestandpunt bereiken. Het is eigenlijk het ei van Columbus. Joden en Palestijnen zouden eigenlijk ook zij aan zij moeten leven en wonen. Wie zichzelf dan gaat opblazen, die treft ook zijn eigen broeders en wie een huis bombardeert idem dito.

Reacties zijn gesloten.