Een verhaal over generaals

Een verhaal over generaals.
Amira Hass, Ha’aretz 24 mei 04
Foto Johannes Abeling

Op het eerste gezicht is dit het verhaal van de veertien jaar oude Mohammed Shaqfa van Blok O in Rafah, wiens huis werd vernield op 13 mei. Een van de zeventig huizen hier die volledig verwoest zijn in twee dagen.

Rafah

Zijn familie zat binnen, in het huis dat gebouwd werd met het geld dat zijn vader had verdiend toen hij in Kibbutz Re’im werkte voor de Israëli’s. De vader was aan het bidden. Het was avond. Opeens hoorden ze een harde klap tegen de muur. Ze probeerden de voordeur te openen, maar dat ging niet. Uit angst voor explosieven graaft een bulldozer diep met zijn tanden in het zand, en gooit het op een grote hoop. De zandhoop maakte dat ze de deur niet meer uit konden. Het lukt Mohammed om op de zandhoop te klimmen en met een steen sloeg hij op de zijkant van de bulldozer. Hij gaf de bestuurder een teken dat hij op moest houden. Die vroeg hem in het Arabisch of er nog mensen binnen waren. Mohammed zei dat dat zo was. Je hebt tien minuten om te vertrekken, zei de bestuurder. De familie pakte de tas die ze al klaar hadden staan met geld en hun papieren, en vluchtten. Sindsdien zit de familie in de Hansa school van het Shabura vluchtelingenkamp, samen met tientallen andere dakloze families, zonder douches en met drinkwater op rantsoen. De mannen slapen buiten op de binnenplaats onder de helicopters. Twee dagen nadat ze hun huis hadden verloren zagen de ouders van Mohammed dat zijn haar wit was geworden.

Maar eigenlijk gaat dit het verhaal over de Israëlische bestuurders van bulldozers en hun commandanten, die in een paar minuten de vruchten van hun arbeid van honderden families begraven. Families die nog jarenlang bezig zullen zijn om de leningen van hun huis af te betalen. Dit is het verhaal van de tanksoldaten die ‘schiet op, sneller’ zeggen tegen de zoon die zijn grootvader op zijn rug draagt terwijl ze vluchten voor de bulldozers. Dit is het verhaal over de soldaten van de pantserdividie en de helicopter piloten die de soldaten rugdekking geven terwijl zij hun vernietigende werk doen. Zelfs als we hun namen niet weten, dan zijn zij het hoofdonderwerp van dit verhaal, zij en hun onverminderde geloof dat zij bijdragen aan de veiligheid van Israël.

Op het eerste gezicht gaat dit verhaal ook over Mahmoud Shaqfa, Mohammeds negen jaar oude broertje, die vrijdag terug ging naar de plaats waar zijn huis had gestaan, vlakbij de grens. Hij mistte zijn huis. Er werd een schot gevuurd en hij werd in zijn hoofd geraakt. Het schijnt dat hij nog geluk had en dat het een afgeketste kogel was. Hij ligt nog steeds, kreunend, op een matras op de binnenplaats van de school, met een verband om zijn hoofd. Maar in werkelijkheid gaat dit verhaal over de zegsman van het IDF die de mededelingen van de soldaten van de grondtroepen doorgeven: als er een kind is gedood, of iemand gewond geraakt, zeggen ze ‘wij hebben niet geschoten op dat moment, op die plaats’, of ze zeggen: ‘we hebben alleen op militanten geschoten, we hebben alleen gewapende mannen geraakt’.

Zullen we werkelijk het verhaal horen van Mohammed Jabber, 27 jaar, die koffie ging drinken bij zijn buurman, Abu Ali in Tel Sultan? Het is waar, er was een avondklok, hij mocht niet naar buiten, maar ze wonen dicht bij elkaar, op maar vijf huizen afstand. En hoe lang kan iemand opgesloten blijven? Hij merkte dat hij zijn sigaretten was vergeten en rende naar huis om ze te halen. De koffie kookte al over en hij was nog niet terug gekomen. Een half uur later ging de telefoon: hij was vanaf de militaire post op het Abu Hashem gebouw doodgeschoten.

Maar boven alles is dit het verhaal van een leger met het formaat van een wereldmacht die het zijn soldaten vergeeft als ze schieten op ongewapende burgers als die- de schurken- het wagen om de bevelen in huis te blijven niet opvolgen. We worden vergast op trotse verhalen over de ‘gevechten’ die bij de militaire acties worden geleverd, zoals het vernietigen van tomatenkassen en uienvelden, en het ‘openbreken’ van veilige doorgangen voor de tanks in de smalle stegen van het overbevolkte vluchtelingenkamp waarvan de huisjes instorten alsof ze van karton zijn. We horen de officieren zeggen dat er geen sprake is van een ‘humanitair probleem’ in een buurt die afgesloten en omsingeld is, zonder electriciteit, zonder dat de vuilnis wordt opgehaald, met riolen die overlopen, zonder water of alleen met water dat vervuild is door de riolen omdat de tanks en de bulldozers de pijpleidingen hebben vernield.

We kunnen het ook hebben over Oula die snachts haar ventilator aan laat staan, ook als het niet heet is, zodat ze het gebrom van de helicopters en het gebrul van de tanks en het schieten niet hoeft te horen, en van Mou’in, van vijf, uit Shabura die tegen zijn ouders zegt dat ze nu alvast hun belangrijke spullen in moeten pakken en maar naar de school moeten gaan voordat de joden komen om hun huis kapot te maken.

Maar het verhaal gaat ook over de 61% van de Israëlische bevolking die volgens een recent gehouden onderzoek per telefoon het eens is met de vernietiging van Palestijnse huizen om de Philadelphi weg, de strook langs de grens te verbreden.

Duizenden verhalen uit Rafah zullen nooit verteld worden omdat ze allemaal op elkaar lijken: ze gaan over Israëlische generaals, het leger, de regering. Die er in geslaagd zijn om Israëls meerderheid er van te overtuigen dat Rafah en zijn tunnels de ergste vijand zijn van de staat Israël en dat het daarom gerechtvaardigd is om Rafah’s 160.000 bewoners langzaam te wurgen.

Maar misschien gaat dit verhaal uiteindelijk over Ahmed, de taxichauffeur van 28, die graag grappen maakt. ‘Niemand hoeft hier meer bang te zijn om een natuurlijke dood te sterven’, zegt hij.