De paradigmastrijd (6)

Over objectiviteit en partijdigheid

Pas verscheen er een recensie van Anet Bleich van mijn laatste boek, Habibi, habibi, in de Volkskrant. Op zich een aardige recensie. Bleich vindt dat ik me nog steeds houd aan de oude slogan “het persoonlijke is politiek” en dat ik er vanuit mijn eigen ervaring in slaag om het schematisme waarmee er dikwijls over Palestijnen wordt gesproken te doorbreken. Maar zo politiek mag ik het persoonlijke van haar niet maken dat ik me ook waag aan een analyse van wat er daar aan de hand is, want dan ‘draaf ik door’ vindt Bleich. ‘Wie de feiten niet kent zou met gemak tot de conclusie kunnen komen dat het Israëlische leger een kwart van de kinderen heeft omgebracht’, zegt ze. Nu weet ik exact hoeveel kinderen er zijn omgebracht (niet een kwart) en ik heb er niet één bijgelogen. Dus om de een of andere reden leest Bleich iets in mijn boek wat er niet staat. ‘Anja Meulenbelts engagement is begrijpelijk en respectabel, maar doet haar uit het oog verliezen dat haar vrienden in Gaza het gelijk niet voor honderd procent aan hun kant hoeven te hebben, alleen omdat ze aardig zijn.’

In haar verhaal is het dus niet mogelijk dat ik Gazanen gelijk geef, niet omdat ik ze aardig vindt, maar omdat ze gelijk hebben. Wat er gebeurt: Bleich heeft een ander paradigma dan ik. Mijn beeld is niet haar beeld. Maar dat zegt ze niet zo. Wat ze zegt: Meulenbelt draaft door. En de onderliggende veronderstelling is dat zij dat objectief kan beoordelen en ik niet, want ik ben subjectief. Zij weet het met haar grotere afstand beter hoe het zit dan ik met mijn betrokkenheid. Dat is een gedachte die ik wel vaker tegenkom, dat partijdigheid de objectiviteit in de weg staat. En dat wie zich onpartijdiger opstelt (nog onafhankelijk van de vraag of dat mogelijk is) vanzelf objectiever is.

Dit is wat ik versta onder objectiviteit: dat ik me aan de feiten moet houden en dat ik die feiten moet onderzoeken. Juist omdat ik me er van bewust ben dat we allemaal de neiging hebben om de feiten te zien die binnen ons paradigma passen, en moeite hebben met feiten die dat lijken tegen te spreken vind ik dat ik mijn visie en mijn ervaringen niet moet verbergen. Ik ben er dus, de slogan ‘het persoonlijke is politiek’ is nog steeds geldig, voor dat we transparant en helder zijn over de positie die we innemen en ons niet verschuilen achter een schijnbare neutrale positie boven de dingen. Zo zou ik het op prijs hebben gesteld als Bleich gezegd zou hebben: dit is mijn visie op Israël en Palestina, en daarom vind ik dat die Meulenbelt te ver gaat. Dan heb je tenminste weer een gesprek en blijft het niet bij wellis-nietis.

Want wat doe je wanneer je de feiten hebt onderzocht, wanneer je vindt dat die glashelder aantonen dat er sprake is van ongelijkheid en onrecht, mag je dan ook nog eens een keer je conclusies trekken of heet je dan opeens ‘te betrokken’ en daarom ‘niet objectief’? Ik vind dat een zogenaamde neutrale houding oog in oog met onrecht altijd de sterkste partij helpt. In mijn visie zijn objectiviteit en partijdigheid dus niet per definitie strijdig. Al blijft er altijd een spanning tussen bestaan. Een spanning die maakt dat je na blijft denken, blijft onderzoeken, de feiten en jezelf.

Wat volgt is een ingekorte versie van een artikel dat ik schreef over objectiviteit, partijdigheid en de media. Het is alweer van een jaar geleden en ik moet zeggen dat ik vind dat de berichtgeving in doorsnee sindsdien is verbeterd. Het is me overigens niet gelukt om dit artikel in een reguliere krant of weekblad geplaatst te krijgen.

Partijdigheid of objectiviteit?

Schrijver Leon de Winter verwijt de Nederlandse media pro-Palestijns te zijn, journalist Stan van Houcke verwijt de Nederlandse correspondenten in het Midden-Oosten dat ze een eenzijdig pro-Israëlisch beeld schetsen. Zijn de media in staat om in dit slagveld objectief te blijven? In hoeverre speelt persoonlijke betrokkenheid een rol in de berichtgeving? Deze vraag stond centraal op een besloten studiedag van de Dick Scherpenzeel Stichting over de Nederlandse berichtgeving over het Midden Oosten, op 6 juni jongstleden. Dit feit is bekend: het merendeel van de Nederlandse correspondenten voor het Midden Oosten is joods, hun standplaats is Israël, en als ze een andere taal spreken is dat Hebreeuws, en zelden meer dan een paar woorden Arabisch. Er is maar één Nederlandse correspondent aangesteld voor de Palestijnse/Arabische gebieden en dat is Joris Luyendijk voor NOS en NRC.

Maakt het uit wat iemands achtergrond is? Het hoeft niet. Amira Hass, verslaggeefster voor het liberale Israëlische dagblad Ha’aretz, die ook aanwezig was op de studiedag is het levende voorbeeld dat je joods en Israëlisch kunt zijn en ook verslag kunt doen van de Palestijnse kant. Het is niet makkelijk, licht ze toe. Maar het kan, als je dat wilt. Hass woont in Ramallah. Ze is een van de weinige joods-Israëlische journalisten (twee, zegt Hass, de andere is Gideon Levy) die naar de bezette gebieden gaat, en dat zonder begeleiding van het Israëlische leger. Maar de discussie of het niet een scheve situatie is als het merendeel van de Nederlandse correspondenten én joods is, én al lang in Israël woont, én vaker Hebreeuws spreekt dan Arabisch wordt bemoeilijkt doordat de betreffende journalisten gekwetst en defensief reageren wanneer het onderwerp ter tafel komt. Ik maak een vergelijking: die ochtend van het Scherpenzeel seminar zaten er vijf representanten van de nieuwsprogramma’s van de televisie op een rijtje. Ook allemaal gekwetst trouwens. Mij viel het op dat er weer eens alleen maar mannen zaten. Reken ik dat elke individuele man aan? Natuurlijk niet. Heb ik wat tegen mannen? Ook niet. Ik constateer alleen dat er sprake is van een scheve situatie. Maar wanneer je eenzelfde scheve situatie meent waar te nemen als het gaat om de berichtgeving over het Palestina/Israël conflict wordt je al gauw in de hoek geschoven van iemand die iets zou hebben tegen Israël. Of erger, tegen joden.

Jacqueline de Bruyn presenteerde een voorlopig onderzoek waarin ze vijf weken lang inventariseerde hoe de Nederlandse actualiteits- en nieuwsprogramma’s het conflict benaderden. Ze toonde nogal wat evidente blunders aan, en vond dat ze kon concluderen dat de Israëlische kant vaker en beter werd gerepresenteerd dan de Palestijnse. Zoals ik al zei: de verzamelde redacteuren reageerden gekwetst en defensief. Partijdig? Niet objectief? Zij niet. Soms moet je aan ‘close reading’ doen om de onbewuste partijdigheid te kunnen waarnemen. Zo hoorde ik minstens drie keer op de televisie een nieuwslezer of verslaggever melden dat ‘na een periode van relatieve rust (bedoeld werd de invasie van Israël op de Westoever) het geweld weer toeneemt’. Het geweld, dat zijn dus de zelfmoordaanslagen, en de doden aan de Israëlische kant, de relatieve rust, dat is wanneer de doden alleen vallen aan de Palestijnse kant. Wie, zoals ik, tussen de bombardementen heeft gezeten, en de verwoeste huizen heeft gezien wordt daar een beetje cynisch van. Ook merk ik op dat die beperkte blik soms maakt dat journalisten niet tot twee kunnen tellen. Zo las ik als kop boven een klein artikel: ‘dode en gewonden’, verder lezend bleek het te gaan over één Israëlische dode en een aantal gewonden bij een aanslag in Israël, vervolgens werd gemeld dat er drie Palestijnen waren doodgeschoten. Dat waren dus doden, meervoud. Of waren die Palestijnen niet dood genoeg?

Er heerst een misverstand over de begrippen objectiviteit en onpartijdigheid, die vaak met elkaar worden verward. Ik ben schrijfster, geen journaliste. Dat heeft het voordeel dat ik gewoon mag zeggen wat ik vind. Ik veins geen onpartijdigheid, ik vind dat je dat oog in oog met evident onrecht niet kunt zijn. Dat ontslaat me niet van de plicht om mijn mening te onderbouwen met feiten, zoveel mogelijk controleerbare feiten. En om, als die feiten niet kloppen met mijn mening, mijn mening bij te stellen, wat ik vaak genoeg moet doen.
De misverstanden hebben volgens mij te maken met het gegeven dat we ons er vaak niet van bewust zijn vanuit welk paradigma we naar een conflict kijken. Journalisten die te veel kritische geluiden in hun artikelen of uitzendingen door laten sijpelen kunnen op het matje geroepen worden, voorbeelden te over. Zo heeft Israël gedreigd om CNN van de kabel af te halen omdat die meer aandacht zouden schenken aan Palestijnse dan aan Israëlische slachtoffers. Dat er meer Palestijnse slachtoffers vallen is dus niet aan de orde, en sindsdien telt CNN zorgvuldig minuten aandacht voor de ene en aandacht voor de andere kant. Met als gevolg dat ze er aan meewerken om paradigma 2 te versterken in plaats van onafhankelijk hun eigen conclusies te trekken. Het is nog steeds zo dat wie paradigma 2 aanhangt als meer ‘objectief’ wordt gezien dan iemand die hardop zegt dat er sprake is van bezetters aan de ene kant en een bezet volk aan de andere. Zelfs het woord ‘bezetting’ kan al tot reprimandes en een stroom boze ingezonden brieven leiden, hoewel in mijn ogen tanks toch echt tanks zijn. Feiten.

In Nederland is de stemming langzamerhand opgeschoven van paradigma 1 naar paradigma 2, wat zeker ook zijn neerslag heeft in de berichtgeving in de media. Het is nog maar een kleine groep mensen die het aandurft om zich te bekennen tot paradigma 3 en daarmee het risico loopt beschuldigd te worden van eenzijdigheid of partijdigheid, van een anti-Israël houding of erger, van antisemitisme. Nog is het zo dat een journalist die in het verleden blijk gaf van Palestijnse sympathieën daar veelvuldig op wordt aangesproken. Daar kan Midden Oosten expert Bertus Hendriks (Wereldomroep, Nova) over meepraten. Zelden wordt onvermeld gelaten dat hij eens medeoprichter was van het Nederlandse Palestina Komitee. Van zijn collega’s bij de media die in hun verleden actief lid waren van zionistische groeperingen wordt dat nooit vermeld.

De moeilijkheid met veel journalisten is dat ze door hun beroepsethiek vaak haast vanzelfsprekend neigen tot paradigma 2. Journalistieke objectiviteit, dat staat gelijk aan ‘beide partijen evenredig aan het woord laten’, ook als er in werkelijkheid geen sprake is van evenredigheid. Dat gebeurt natuurlijk niet altijd, zie het onderzoek van Jacqueline de Bruijn, want journalisten zijn mensen, met opvattingen, blinde vlekken en gevoelens van sympathie en antipathie die soms ongewild hun verslaggeving binnensijpelen. Maar in ieder geval is dat het streven. Het onderliggende probleem is hoe je beide partijen als gelijkwaardig kunt presenteren wanneer ze dat in feite niet zijn.

Ik vergelijk dat met het probleem waar mensenrechtenorganisaties voor staan. Amnesty International wordt vaak beschuldigd van partijdigheid, ook wanneer ze niets anders doen dan de schendingen van mensenrechten documenteren. Het is nu eenmaal zo dat het ene land er daarbij slechter afkomt dan het andere. Hannah Friedman, oprichtster van een kleine mensenrechtenorganisatie in Israël, PCATI, die het martelen in gevangenissen en bij verhoren aan de kaak stelt zei eens cynisch: ‘kan ik het helpen dat ze alleen maar Palestijnen martelen? Moet ik de Shin Beth dan vragen of ze wat vaker joden willen martelen, zodat ze ons niet kunnen beschuldigen van partijdigheid?’ Wie, gestaafd met objectief controleerbare feiten laat zien dat er geen sprake is van symmetrie tussen de partijen, maar van onrecht en eenzijdige overheersing, zal zich moeten weren tegen de beschuldiging partij te kiezen. En wie, als journalist, gevoelig is voor die beschuldiging, zal al gauw de neiging hebben om de beide partijen als meer gelijkwaardig te beschrijven dan ze in feite zijn. Zo vond ook Joris Luyendijk het leuk om Sharon en Arafat te omschrijven als twee elkaar beschietende cowboys. En zo wordt er dan neutraal gepraat over de ‘toename van geweld’ zonder te onderscheiden dat zelfmoordacties, hoe afkeurenswaardig ook, niet hetzelfde geweld zijn, niet dezelfde oorzaken hebben, als het staatsgeweld van Israël tegen de Palestijnen. Dat het de meeste journalisten nog niet eens lukt om binnen paradigma 2 te blijven blijkt vervolgens wanneer het eerste soort geweld wordt omschreven als terreur, en het tweede soort geweld als zelfverdediging en maatregelen vanwege de veiligheid. De Israëlische veiligheid, wel te verstaan. Dat de Palestijnen minstens zoveel reden hebben om voor hun veiligheid te vrezen, maar niet de mogelijkheid hebben om muren op te trekken en tanks in te zetten voor een kleine invasie in Tel Aviv om daar een paar honderd mannen op te pakken hoor je zelden.

Kortom: objectiviteit, naar de feiten kijken, en partijdigheid, op grond van die feiten beslissen waar je staat, zijn niet tegenstrijdig. Dus wie in de media werkelijk objectief wil zijn zal er rekening mee moeten houden om van partijdigheid beschuldigd te worden. En wie er erg aan hecht om de schijn van onpartijdigheid hoog te houden, wat vaak van journalisten verwacht wordt, zal in deze volstrekt asymmetrische situatie de verleiding moeilijk kunnen weerstaan om te sjoemelen met de feiten.

En verder, deel 7, voorbij het gelijk. Is verzoening mogelijk? Is er een volgende stap? Hier

4 gedachten over “De paradigmastrijd (6)

  1. Ik geloof niet in objectiviteit van journalisten. Want hoewel je je in je berichtgeving strikt kunt beperken tot controleerbare feiten en die zo neutraal mogelijk brengen, is de kèuze van onderwerpen al een bijzonder subjectieve zaak, afhankelijk van o.m. je achtergrond en politieke voorkeur.

    Zwijgen over Sudan is een keuze en dus subjectief, hoewel er geen feitelijke onjuistheden te berde gebracht worden.
    Nieuws over Suriname haalt in Nederland het journaal, maar staat in pakweg Finland niet eens op de achterzijde van de krant. Alleen dat al maakt berichtgeving per defenitie subjectief. Dus wat mij betreft is objectiviteit en partijdigheid niet op voorhand strijdig, maar iets dat zich niet zal voordoen als combinatie, omdat ik niet geloof in objectiviteit van berichtgeving. Het bevat altijd subjectieve elementen, al is het maar de woordkeus die gebruikt wordt.

  2. Henk, ik ben het met je eens dat ware objectiviteit niet bestaat, omdat eigen gevoelens altijd meespelen in de selectie van wat je waarneemt en wat je weergeeft. Ik pleit daarom meer voor heldere subjectiviteit, laten weten vanuit welke ervaringen en positie je reageert, dan voor een schijnobjectiviteit.
    Dat neemt niet weg dat ik ook vind dat we verplicht zijn om de feiten te onderzoeken en ons daaraan te houden, ook als die feiten lastig in onze opvattingen passen.

  3. Beste Anja,

    Ik vind je informatie over objectiviteit van journalisten erg interessant. Ik ben op zoek naar een lijst van correspondenten in Israel en Palestina op dit moment. Weet jij waar ik zo’n lijst van vinden, of weet jij uit je hoofd welke journalisten waar precies zitten?

    Dankje, Anna

  4. Als de meerderheid in Nederland,en in vele westerse landen,de VS
    voorop, nog steeds niet inziet,in feite ongeinteresseerd is in een rechtvaardige oplossing voor het Palestijns-Israelische con-flict en als niet wordt ingezien, dat deze volkomen ongelijke
    strijd, waarin voortdurende vernedering, achterstelling, be-zetting en onteigening belangrijke oorzakelijke factoren vormen voor een alsmaar groter wordende haat bij het Palestijnse volk,
    dan moet het voor ieder redelijk denkend mens toch allang volko-
    men duidelijk zijn, dat de laatsten in wanhoop verkeren. Jan.

Reacties zijn gesloten.