Dossier 4: Rondom 1948


4.Rondom 1948

Het was op 10 maart 1948, in een huis in Tel Aviv dat het rode huis werd genoemd, dat 11 mannen besloten om een miljoen mensen van hun land en uit hun huizen te verdrijven. En dat gebeurde. De halve bevolking van het toenmalige Palestina werd verdreven, de helft van hun dorpen vernietigd. Er zijn geen notulen van die vergadering op 10 maart gevonden, maar de geschiedenis kon gereconstrueerd worden aan de hand van documenten die nu beschikbaar zijn. Bovendien, de concrete gevolgen ervan werden destijds openlijk in de kranten besproken. Met de internationale normen van nu zouden we dat ‘etnische zuivering’ noemen. En dat is een misdaad tegen de menselijkheid. De elf mensen die er toe besloten zijn misdadigers. Maar zo worden ze in Israel, en verder in de wereld, niet gezien. Integendeel. De bekendste van hen was Ben Goerion.

Ilan Pappe, uit zijn lezing.

Dit is de mythe: de zionisten riepen de staat Israel uit, en de Arabische troepen vielen het land binnen. In de oorlog die volgde vluchtten veel van de Palestijnen, daartoe opgeroepen door hun leiders.

Inmiddels hebben de ‘nieuwe historici’, die feitelijk geen nieuwe historici maar de eerste historici, in vele gedetailleerde studies vastgelegd dat de werkelijkheid anders was. Vanaf 1947 waren de zionistische milities al bezig met wat in huidige termen een etnische zuivering heet. De helft van de honderdduizenden Palestijnen was al op de vlucht voor 15 mei 1948, nadat hun dorpen en steden planmatig waren aangevallen, en er bloedbaden waren aangericht, Deir Yasseen was berucht, als afschrikwekkend voorbeeld. Ook toen de gevechten feitelijk voorbij waren ging het op de vlucht jagen en deporteren van Palestijnen nog een tijd door. Ook werden na 1948, toen de oorlog al was afgelopen, nog tussen de 3000 en de 5000 Palestijnse vluchtelingen die probeerden terug te komen naar hun huis, hun oogst te redden of hun achtergelaten bezittingen te vinden doodgeschoten. Israel beschouwde hen als ‘infiltranten’. (Zie Halper op dit weblog, hier)

Ik zal in dit hoofdstuk nog een samenvatting geven van het materiaal. De belangrijkste van de historici is Ilan Pappe, zijn laatste boek is ook in het Nederlands verschenen: De etnische zuivering van Palestina.

Het leidt geen twijfel meer dat de etnische zuivering de bedoeling was, en planmatig is uitgevoerd. Uit het boek van Pappe dit citaat: “Ik ben voor gedwongen overplaatsing, ik zie er niets immoreels in”. David Ben Gurion, juni 1938.

Op dit weblog is een samenvatting van de lezing van Ilan Pappe te vinden: hier.

Op YouTube is een opname te vinden van een van zijn lezingen, hier en hier.

Dit zijn de belangrijkste punten waar het in dit hoofdstuk om gaat:
1. Dat het volstrekt inherent was aan het zionisme dat de joodse staat er alleen zou kunnen komen wanneer de plaatselijke niet-joodse bevolking zoveel mogelijk ‘verwijderd’ zou worden.
2. Dat de etnische zuivering planmatig is uitgevoerd, gedeeltelijk onder het dekmantel van de oorlog.
3. Dat er geen enkel bewijs voor is gevonden dat de Arabische leiders de bevolking zou hebben opgeroepen om te vluchten.
4. Dat de jonge staat Israel meteen alles op alles zette om de terugkeer van de vluchtelingen onmogelijk te maken, onder andere door 400 dorpen te verwoesten, en er tegelijk werd begonnen om de Palestijnse aanwezigheid uit te wissen.

In 1959 publiceerde een Palestijnse historicus, Walid Khalidi, een eerste studie over de systematische verdrijving van de Palestijnse bevolking. In 1961 verscheen een artikel van Erskine Childers, een Ierse journalist, die maanden besteedde aan het nagaan van de zionistische bewering dat de Palestijnen vrijwillig waren gevlucht, daartoe opgeroepen door hun eigen leiders. Er was geen schijn van bewijs voor te vinden, wel werd duidelijk dat het de zionistische troepen waren die er alles aan deden om de bevolking op de vlucht te jagen. Het waren de zionistische radiostations die – in het Arabisch – de Palestijnen opriepen om hun huizen te verlaten. Zie het artikel van Childers: hier.

Meerdere studies hebben inmiddels duidelijk gemaakt dat de zionisten allang voor 1948 wisten dat ze indien maar enigszins mogelijk de inheemse bevolking zouden verdrijven. Herzl ging er nog van uit dat dat mogelijk zou zijn door er voor te zorgen dat de Arabische bevolking geen werk zou hebben, een van de belangrijke doelen van het zionisme was om alle arbeid te Hebreiseren. Het hoorde bij de eerste aanwijzingen voor de plaatselijke bevolking dat de komst van de zionisten veel onheil met zich mee zou brengen: niet alleen dat de zionisten probeerden zoveel mogelijk land op te kopen, maar vervolgens zoveel mogelijk probeerden de arbeid alleen in handen van joden te geven en de Palestijnen daarbij uit te sluiten.

Joseph Weitz, die verantwoordelijk was voor het regelen van de joodse kolonisering zei in 1940:

Onder ons gesproken moet het duidelijk zijn dat er in het land geen plaats is voor beide volken. De enige oplossing is een Palestina zonder Arabieren. En er is geen andere manier dan door de Arabieren van hier over te plaatsen naar de buurlanden, ze allemaal te verwijderen: niet één dorp, niet één stam mag er overblijven. (Wright p 16)

Dat de etnische zuivering, toen nog ‘transfer’ genaamd, niet een toevallig bijproduct van de oorlog was, maar wel degelijk was gepland, is later toegegeven door de Isrsaelische minister van Buitenlandse Zaken, Yigal Allon, die destijds het hoofd was van de Palmach, de stoottroepen van de Haganah, de voorloper van het Israelische leger. Het ‘Plan Dalet’ werd gepubliceerd door Rashid Khalidi, hier. Toen Yitzhak Rabin over de verovering van Lydda (Lod) in zijn te publiceren dagboek schreef, werden de passages verwijderd door de Israelische censuur – om vervolgens wel te verschijnen in de New York Times van 23 oktober 1979.

Het was bovendien duidelijk dat er alles aan gedaan zou worden om er voor te zorgen dat de vluchtelingen niet terug zouden kunnen keren – zo schreef David Ben Goerion op 18 juli 1948 in zijn dagboek: “we moeten er alles aan doen om er voor te zorgen dat zij (de Palestijnse vluchtelingen) nooit meer terugkomen.”

Uiteraard zou het er niet toe moeten doen of de vluchtelingen vrijwillig of onvrijwillig waren vertrokken, op hun recht naar hun land en huizen terug te keren heeft dat geen invloed.

Over de ‘uitruil’ met joodse vluchtelingen uit Arabische landen. Wright p 27