Dossier 7: Democratie Israël


7 Democratie Israel

(Update 03 april 08)

Aanwezige afwezigen.
‘Je wilt naar Griekenland reizen. Je vraagt een paspoort aan. Maar dan kom je erachter dat je geen staatsburger bent omdat je vader of een ander familielid tijdens de Palestijnse oorlog met je gevlucht is. Je was een kind. En je ontdekt dat elke Arabier die in die tijd zijn land verlaten heeft en weer naar binnen is geglipt, zijn recht op staatsburgerschap is kwijtgeraakt. Je laat dat paspoort maar zitten en vraagt om een laissez-passer, een reisdocument. Dan blijkt dat je geen ingezetene bent van Israël omdat je geen bewijs hebt dat je er woont. Je denkt nog dat het een grap is en haast je naar een vriend die jurist is: ‘Luister; ik ben geen staatsburger en ik ben geen ingezetene. Dus waar ben ik en wie ben ik?’ Je verbaast je erover dat ze de wet aan hun kant hebben en dat jij moet bewijzen dat je er bent. Je vraagt het ministerie van Binnenlandse Zaken: ‘Ben ik hier of ben ik afwezig? Kunt u me een expert in de filosofie toewijzen zodat ik kan bewijzen dat ik besta?’ Dan krijg je door dat je filosofisch gezien wel bestaat, maar dat je voor de wet niemand bent’

(Machmoud Darwish 1995, uit: Het beroofde land)

In dit hoofdstuk:
1. Kan Israel tegelijk een democratie zijn en een joodse staat?
2. Waarom er geen grondwet is: de orthodoxie en de Palestijnse staatsburgers
3. Wat en wie in Israel de democratie ondermijnen: de macht van de orthodoxie, van het leger en van de kolonisten
4. Ingebouwd racisme

Fragmenten:

Dat Israël een democratie is, de enige democratie in het Midden-Oosten, is een rechtvaardiging voor onvoorwaardelijke steun. Het is een variant op de oude koloniale zienswijze: de Europeanen zijn geen veroveraars en uitbuiters, ze zijn de brengers van beschaving. Ik stond er vroeger niet bij stil dat de zionistische migratie voor de Palestijnen een bedreiging was, dat de zionisten hun van hun land beroofden. Ook toen ik redelijk geschoold raakte in links en marxistisch denken, toen woorden als kolonialisme en uitbuiting inhoud kregen en ik racisme leerde herkennen, bleef Israël buiten mijn kritiek. Het bleef het toevluchtsoord, al was het maar als mogelijkheid, voor al die Joodse vrienden, gelieven en familieleden met hun onderduikverhalen en herinneringen aan vermoorde familieleden. Nederland mocht wat mij betreft stevig bekritiseerd worden om zijn kolonialistische verleden, om zijn slavenhandel en verregaand wangedrag in Indonesië en Suriname, maar van Israël bleef je af.
Hoeveel moeilijker moet het voor Joden in Israël zelf dan niet zijn om gewetensonderzoek te doen? Dagelijks, en van jongs af aan zijn ze ondergedompeld in nationalisme, met herdenkingen waarin een rechte lijn wordt getrokken tussen de uittocht uit Egypte, de vernietiging van de tempel en de verdrijving van de Joden, de holocaust, en de viering van de onafhankelijkheid en de overwinning op de Arabieren, met schoolboeken die geen geschiedenis onderwijzen maar zionisme. Gewetensonderzoek begint met twijfel.

Twijfel, schrijft Timmerman, is niet iets wat je in Israël op school of in het leger leert. Je leert in Israël niet dat Rabin, die de geschiedenis ingaat als gelauwerde vredesengel, het bevel voerde over de massadeportatie van Lod, en de tientallen Palestijnen die de moskee waren binnengevlucht liet executeren. In de geschiedenisboeken lees je niet dat minstens 2500 na 1948 naar hun huizen terugkerende Palestijnen als ‘infiltranten’ werden doodgeschoten. Je leest niet dat de verdrijving van de Palestijnen ook na de wapenstilstand doorging, hoe in 1950 het dorp Ein Hotsuv werd ontruimd en er van de inwoners die over de grens werden gejaagd, zo’n 25 onderweg omkwamen van honger en dorst, en hoe sommige van de verdrevenen in het militaire kamp in Katara bij Rehovot ernstig werden gemarteld. Dan zijn er de verhalen over moeders die over de grens werden gezet zonder hun kinderen, over kinderen die werden verdreven zonder hun moeder, over plunderingen en de moord op de Palestijnen die de brutaliteit hadden een ontvangstbewijs te eisen toen ze hun gouden sieraden moesten afstaan (Laor 1995).

‘Het Israëlische onbegrip voor de Palestijnse intenties is geworteld in de eigen illusies, in het vertekende beeld van het eigen overwicht, dat niet alleen militair is, maar ook economisch, in het onderwijs en in de technologie. Het is geërfde en gemanipuleerde angst, vanuit het zelfbeeld van het eeuwige slachtoffer en de eeuwige angst voor de gojim, de niet-Joden, die wordt geprojecteerd op het andere volk dat in hetzelfde land leeft. Al het Palestijnse gedrag wordt bekeken door de bril van de voorafgaande ervaring, en elke islamitische tekst of uiting wordt vandaaruit geïnterpreteerd als fanatisme’, schrijft Amira Hass (1999c).

Ella Shohat, een Irakees-Israëlische hoogleraar, constateert dat, ironie van de geschiedenis, alle kernbegrippen uit de Joodse geschiedenis, ballingschap, ontheemding, diaspora, nu op de Palestijnen van toepassing zijn. ‘Het slachtofferdom staat centraal in de vormgeving van de Joodse ervaring en identiteit, en in het zionistische bevrijdingsproject. De suggestie dat er ook een verhaal van andere slachtoffers verteld zou kunnen worden, dat het Joodse nationalisme slachtoffers gemaakt zou hebben, stuit op hevig verzet. In het zionistische verhaal ontstaat acuut ongemak alleen al bij de gedachte dat ook Joden slachtoffers maken, want de hele Joodse populaire traditie is doordrenkt met het lijden door de onderdrukking door anderen. Om van een dreigend gevoel van onbehagen af te komen en geen last te hebben van twijfel en een knagend geweten, blijft de aandacht gericht op de holocaust en worden nazi’s en Arabieren op één lijn gesteld. Ook Israëlische intellectuelen en liberalen ontkennen de realiteit van het Palestijnse slachtofferschap om onrecht verdraaglijk te maken (Hagopian 1998).

(Uit Het beroofde land. Hele hoofdstuk: hier)

Is Israël een democratie geworden?

Israel heeft geen grondwet.

Avnery noemt de Onafhankelijkheidsverklaring oneerbiedig ‘een haastige verzameling propagandistische clichés’, waarop het Hooggerechtshof zich bij gebrek aan een grondwet nog steeds baseert voor de bewaking van de Israëlische democratie en de rechtspraak. Die verklaring hinkt op twee gedachten. Israël is een Joodse staat. Tegelijk wordt er gezegd dat de staat gestoeld zal zijn ‘op volledige gelijkheid van sociale en politieke rechten van alle burgers, zonder onderscheid van afkomst, godsdienst, ras of geslacht’. Van dat tweede beginsel is weinig terechtgekomen, stelt Avnery. ‘Het hele publieke leven in Israël is gebaseerd op ingebouwde discriminatie van niet-Joden, discriminatie met name van de burgers die tot de Palestijnse Arabieren behoren’ (Avnery 1998a, 1999a).
Voor de Israëli’s die niet erg aan democratie hangen is er geen tegenstelling. Zoals Ariel Sharon in 1993 zei: ‘Het is uitgesloten dat Arabieren in Israël deelnemen aan de belangrijke beslissingen. Natuurlijk zullen er mensen zeggen dat dit niet democratisch is, maar onze voorouders en ouders zijn hier niet gekomen om een democratie te vestigen, zij kwamen voor het vestigen van een Joodse staat’ (Rouhana 1997). En rechter Ahron Barak stelt: ‘Het bestaan van de staat Israël als Joodse staat is niet in tegenspraak met zijn democratisch karakter, net zo min als het Frans-zijn van Frankrijk in tegenspraak is met zijn democratische aard’ (Adalah 1998).
Het punt is alleen dat ‘Frans’ een nationaliteit is die verworven kan worden door een moslim, een christen, een Jood of een Arabier. Het is een nationaliteit, geen religieus-etnische identiteit. In de Joodse staat kun je alleen Jood zijn als je Jood bent. Een moslim of Arabier krijgt in een Joodse staat dus nooit diezelfde nationaliteit (Adalah 1998).

Palestijnen binnen Israel

Het is geen toeval dat men nagelaten heeft in de Onafhankelijkheidsverklaring een bepaling op te nemen dat er in de staat Israël niet gediscrimineerd mag worden op grond van nationaliteit. En om te vermijden dat de gelijkheid tussen de twee volken alsnog wordt gerealiseerd, weigert de Knesset hardnekkig een werkelijk democratische grondwet aan te nemen. Door het ontbreken van een grondwet heeft Israël een infrastructuur op kunnen zetten waarin onderscheid wordt gemaakt tussen Joden en Arabieren. Om openlijke apartheidswetten te vermijden werd de ‘noodtoestand’ aangegrepen om in het kader van de veiligheid discriminerende maatregelen te kunnen nemen. De Leegstandswet, waarmee na 1948 omvangrijke bezittingen, voornamelijk land, van Arabische in Joodse handen overgingen, wordt nog steeds gehanteerd, bijvoorbeeld bij de overdracht van Arabische huizen in Silwan aan Joodse kolonisten. Behalve de Wet op de Terugkeer is er geen enkele wet die exclusief voorrechten verleent aan Joden. Wel aan ‘voormalig dienstplichtigen’, wat op hetzelfde neerkomt, of aan ‘eenieder op wie de Wet op de Terugkeer van toepassing zou zijn als hij of zij geen Israëlisch staatsburger was’. En verder bieden semi-overheidsinstellingen als het Joods Nationaal Fonds of het Joods Agentschap ruim de gelegenheid om een beleid dat discrimineert ten voordele van Joden in de praktijk te brengen.

Tot aan 1967 konden vele liberalen de ogen sluiten voor de racistische kanten van het beleid. Maar toen door de bezetting nog eens anderhalf miljoen Palestijnen onder Israëlisch bestuur kwamen, was dat niet meer mogelijk. Voor het eerst ontstond er een maatschappelijk draagvlak voor openlijk racistische ideologieën, zoals van groepen als Moledet, Kach en de Jeshiva-rabbijnen. Dat kwam niet, zoals trouwhartige aanhangers van ‘de verloren zuiverheid van het zionisme’ beweren, door de corrumpering van de Israëlische maatschappij door de bezetting, stelt Warshawski, maar doordat het niet langer mogelijk was het conflict tussen de zionistische koloniseringsbeweging en de nationale bevrijdingsstrijd van het Palestijnse volk te ontkennen.

De uitzetting van 1948 en de uitzettingen erna hadden misschien uit het collectieve geheugen weggepoetst kunnen worden, als de bezetting na 1967 er niet was gekomen. Toen konden de protestkreten niet langer worden genegeerd. De kibboetsim van de Mapam, de links-socialistische vleugel van het zionisme, konden lange tijd ‘broederschap der volkeren’ prediken en tegelijk hun nederzettingen bouwen op gestolen land, op platgebulldozerde dorpen en op roof en moord. Maar nu de Palestijnse aanwezigheid niet meer kan worden ontkend, constateert Warshawski, is de leuze niet langer broederschap, maar ‘dood aan de Arabieren’. Het gaat er nu botter, maar ook een stuk minder hypocriet aan toe (Warshawski 1992).

(Uit: Het beroofde land)

Over de positie van Palestijnen in Israel

Na de etnische zuivering van 1948, de ‘nakba’ bleven ongeveer 130.000 Palestijnen in Israel achter (daarvoor waren het er 850.000). Op dit moment is de Arabische bevolking gegroeid tot meer dan een miljoen. Grofweg 1 op de 6 staatsburgers van Israel is Palestijns.

Maar Israel definieert zichzelf als een joodse staat. Wat betekent dit voor de niet-joodse minderheid? Formeel hebben staatsburgers, dus ook Arabieren, stemrecht en zijn gelijk voor de wet. In werkelijkheid is er sprake van zowel directe als indirecte discriminatie.

Directe discriminatie is er op vier punten:
1. Israel heeft geen grondwet die gelijkheid garandeert. Er zijn wel een aantal ‘Basic Laws’, maar daarin is geen sprake van recht op gelijke behandeling.
2. Mede als gevolg daarvan is er sprake van ongelijkheid op het gebied van politieke participatie. In de Basic Law van 1992 is aangenomen dat de Knesset (het parlement) een partij kan verbieden om aan de verkiezingen deel te nemen, als die “ontkent dat de staat Israel de staat is van het joodse volk”. Dat betekent dat een groep of partij die opkomt voor gelijke rechten voor alle staatsburgers verboden kan worden om aan de verkiezingen deel te nemen – zoals ook is voorgekomen. In geen enkele andere democratische staat zou het mogelijk zijn dat een partij die opkomt voor gelijke burgerrechten om die reden van politieke participatie wordt uitgesloten.
3. De wet op het recht van terugkeer geeft elke jood ter wereld het automatische recht om naar Israel te emigreren en daar staatsburgerschap te krijgen. Palestijnse Arabieren kunnen alleen staatsburgerschap verkrijgen doordat ze in Israel zijn geboren, dan wel door een buitengewoon moeizaam naturalisatieproces heengaan.
4. Een aantal joodse organisaties hebben wettelijke status gekregen, waarbij het mogelijk is om Arabische burgers buiten te sluiten. De semi-overheidsorganisaties zijn met name Het Joods Nationale Fonds, het Joodse Agentschap en de Wereld Zionistische Organisatie. Zij houden zich bijvoorbeeld bezig met het beheren van land, en met huisvestingsprojecten. Ze ontvangen daarvoor staatssteun. Deze organisaties hebben het recht om te beslissen dat het land dat ze in beheer hebben niet mag worden verkocht of verpacht aan niet-joden, of dat huisvestingsprojecten alleen voor joden zijn (soms onder het mom dat de huisvestingscommissie mag beslissen wie er in de ‘cultuur’ van een nieuwe wijk passen.
Zie als voorbeeld ..Katzir. In Het beroofde land.

De voorbeelden van indirecte discriminatie zijn talrijk.

Over de positie van Arabieren in Israel, zie de factsheet van Jews for Justice for Palestinians, hier
Het Mossawa Center, Advocay Center for Arab Citizens in Israel. Hier

Recent artikel: Ali Abunimah, Anti-Arab racism and incitement in Israel. Hier.

Over de rol van de VS en Israel als democratie, hier

4 gedachten over “Dossier 7: Democratie Israël

  1. Je zegt dat er in het verleden politieke partijen in Israel zijn verboden, omdat ze opkomen voor gelijke rechten voor alle staatsburgers. (Staatsburger=inwoner van Israel met Israelisch paspoort)

    Kun je een voorbeeld geven?

    MVG

  2. Dat staat er niet, Paul. Wat er staat is dat er een wet is aangenomen waarmee de Knesset een partij kan verbieden als die ontkent dat Israel de staat is van het joodse volk. Dat betekent dat de kleine Arabische partijen, inclusief de enige waarin joden en Arabieren samen werken, (Hadash in het Hebreeuws, Jabha in het Arabisch) heel dicht in de richting van illegaliteit komen wanneer ze opkomen voor ‘gelijke rechten voor alle burgers’ . Dat is volgens Jonathan Cook, Blood and Religion, pag 21-22, een effectief middel gebleken om de Arabische parlementariers monddood te houden. Alle Arabische Knessetleden staan vrijwel permanent onder verdenking, zijn doelwit geweest van onderzoeken, en de meest invloedrijke twee, Azmi Bishara van de National Democratic Assembly, of Balad, en Sheikh Raed Salah van de Islamtische Beweging, zijn aangeklaagd wegens zaken die vervolgens wegens gebrek aan bewijs weer afgeblazen werden. Bishara is al eens van ‘landverraad’ beschuldigd omdat hij in Syrie een speech zou hebben gehouden waarin hij zou hebben gezegd dat het Palestijnse verzet wat kan leren van Hezbollah, de aanklacht werd later weer ingetrokken, en omdat hij werd gewaarschuwd dat hij opnieuw zou worden opgepakt leeft hij nu in ballingschap. Bijna alle Arabische Knessetleden hebben ervaring met huiszoekingen en mishandeling door de politie of leger.

    Zie verder: Silencing Dissent. Hier.

  3. Paul doelde op deze zin: “Dat betekent dat een groep of partij die opkomt voor gelijke rechten voor alle staatsburgers verboden kan worden om aan de verkiezingen deel te nemen – zoals ook is voorgekomen.”

    Het antwoord was: “Dat staat er niet, Paul.”

    Mij lijkt dat antwoord bezijden de waarheid. Het stond er wel. En waar is zulk gesmoes overigens voor nodig?

  4. Je kunt toch wel lezen, Frans?
    Er staat: dat een groep verboden kan worden.
    Paul zegt: geef voorbeelden van groepen die verboden zijn.
    Ik herhaal: er staat dat de knesset een groep kan verbieden, niet dat ze dat al gedaan hebben.
    Snap je het nu?
    En waar het’gesmoes’voor nodig is staat er ook al, dus dat hoef ik niet ook nog te herhalen.

Reacties zijn gesloten.