Het ‘genereuze aanbod’ van Barak

campdavid.jpg

In mijn nog steeds niet voltooide dossier Palestina/Israël, (hier) waarin ik het materiaal verzamel dat een alternatief vormt voor de steeds maar weer herhaalde Israelische mythen, heb ik de hoofdpunten van de gangbare zionistische canon op een rijtje gezet.

Zoals de bekende mythe dat de heldhaftige zionistische troepen als David weerstand boden tegen de Arabische Goliath die er op uit was om de nieuwe joodse staat te vernietigen: historisch onderzoek heeft breeduit aangetoond dat het Israelische leger numeriek en qua bewapening een stevig overwicht hadden op de versnipperde en halfslachtig vechtende Arabische legers, wiens voornaamste doel was om elkaar tegen te houden de grootste stukken van Palestina in handen te krijgen en bepaald niet om “de joden de zee in te drijven”. De enigen die letterlijk de zee in werden gedreven waren vluchtende Palestijnen.

De tweede standaard mythe is dat de honderdduizenden Palestijnen vrijwillig vluchtten, daartoe opgeroepen door de Arabische leiders. De werkelijkheid, Ilan Pappé noemt het de etnische zuivering van 1948, is inmiddels onweerlegbaar gedocumenteerd in een reeks van historische werken.

De derde mythe, dat het vooral de Palestijnen en de Arabische buren waren ‘die geen kans voorbij lieten gaan om een kans te missen’ op vrede met Israel is ondertussen ook ruimschoots onderuit gehaald. De werkelijkheid is dat er stapels serieuze aanbiedingen zijn gedaan om vrede te sluiten, tot op de dag van vandaag, als Israel maar bereid zou zijn om zich terug te trekken uit de Golan, uit de Westoever, uit Gaza en uit Oost-Jeruzalem, en er toegestaan wordt dat er een leefbare Palestijnse staat wordt gesticht met de hoofdstad in Oost-Jeruzalem. Dat dat nog steeds niet is gebeurd, was keer op keer dat Israël nog steeds weigert om de bezetting werkelijk op te geven.

De nieuwe mythe die in 2000 ontstond was dat de onderhandelingen in Camp David mislukten omdat Arafat en de Palestijnen weigerden om het ‘genereuze aanbod’ van Barak op vrede aan te nemen. Bij deze mythe hoort het verhaal dat de Palestijnen geen tegenaanbod deden, en in plaats daarvan hun toevlucht namen tot terroristisch geweld tegen de Israëlische bevolking.

Ik volg hier het betoog van Jerome Slater, die in het blad Tikkun nog eens terugkomt op deze mythe. (Zelf schreef ik er over in De tweede intifada, in 2001, en hoewel ik toen nog niet de beschikking had over het materiaal dat sindsdien is verschenen had mijn commentaar dezelfde strekking.) Zijn artikel: hier. Hij doet dat aan de hand van de uitlatingen van Thomas Friedman, buitenlands verslaggever van de New York Times, en daarom in de VS invloedrijk. Het probleem met Friedman, zegt Slater, is dat hij een image heeft van een gematigd en evenwichtig man, en dat juist daarom te weinig kritisch wordt gekeken naar wat hij het publiek vertelt. Een van de opinies die mede dankzij hem standaard zijn geworden in de Amerikaanse politiek, en steeds weer herhaald worden in de publieke opinie, is de mythe van het genereuze aanbod van Barak dat door de Palestijnen zou zijn afgewezen. En dit ondanks een karrevracht aan publicaties, artikelen, boeken en rapporten, die die mythe geheel op losse schroeven zetten. (Slater geeft een lijstje met die publicaties, onder dit stuk te vinden, die ik moeiteloos met nog flink wat titels aan kan vullen). En het punt is dat het zeker niet de eersten de besten zijn, die de mythe hebben ontzenuwd. Malley was lid van de Amerikaanse delegatie tijdens Camp David, en maakte het allemaal van heel dichtbij mee, Amirav, Arieli, Beilin, Klein en Pundak waren of lid van de Israelische delegatie, of militaire en politieke adviseurs van Barak. Hanieh was lid van de Palestijnse delegatie, en de anderen op zijn lijstje zijn vooraanstaande deskundigen en journalisten. En allemaal komen ze tot de conclusie dat het genereuze aanbod van Barak niet genereus was. En geen aanbod.

Maar Friedman blijft er koppig aan vast houden. Volgens hem was Barak in Camp David bezig om te testen of de Arafat en de Palestijnen al rijp waren voor een werkelijk vredesverdrag, door hen een aanbod te doen dat een definitief einde had kunnen maken aan het het historische conflict. En dat aanbod zou hebben bestaan uit bijna de gehele Westoever en Gaza, de helft van Jeruzalem, de ontruiming van alle Israëlische nederzettingen in de nieuwe Palestijnse staat, met enige compensatie voor de stukken die Israël wilde annexeren, en de terugkeer van een symbolisch aantal vluchtelingen naar Israël, en financiële compensatie voor de andere vluchtelingen plus de mogelijkheid ‘terug te keren’ naar de Palestijnse staat.

En de Palestijnen zakten voor de test, schreef Friedman, waarna Israel wist dat er aan de andere kant ‘geen partner was om vrede mee te sluiten’. In plaats van de uitgestrekte hand aan te nemen, stapte Arafat op en begon de tweede intifada. In plaats van een tegenaanbod te doen kozen de Palestijnen voor de strijd. En daarmee was dus duidelijk, volgens Friedman, dat de Palestijnen er op uit waren om geheel Israel te vernietigen, in plaats van het land met de joodse staat te delen.

Overigens, schrijft Slater, is Friedman erg inconsequent, terwijl hij aan de ene kant zegt niet te kunnen begrijpen waarom de Palestijnen kozen voor de strijd, beschrijft hij op andere momenten wel de wreedheid van de bezetting, die hij bruut, idioot, en moreel verwerpelijk noemt. Ook moest Friedman toegeven dat Barak, terwijl hij nog onderhandelde, met de ene hand gaf wat hij met de andere hand al weer terugnam, want ondertussen ging hij wel door met het uitbreiden van de nederzettingen, waardoor de Palestijnen het gevoel kregen dat er steeds minder land over was waar nog over te onderhandelen viel. Toch zegt Friedman niet te begrijpen waarom de tweede intifada uitbrak. En legt hij de schuld van de mislukking van Camp David geheel aan de Palestijnse kant.

En nu de feiten. Waarom mislukten de onderhandelingen in Camp David?

In de eerste plaats was Barak ongeveer de slechtste persoon om er op uit gestuurd te worden om met de Palestijnen te spreken over een vredesverdrag – wat in zou houden dat Israel ‘concessies’ zou moeten doen en de Palestijnen er op zouden moeten kunnen vertrouwen dat Israel zich aan de afspraken zou houden. Maar feitelijk hadden de Palestijnen er alle redenen voor om Barak diep te wantrouwen, schrijft Slater. Barak was al jarenlang bekend als een havik, die zich verzet had tegen alle voorafgaande overeenkomsten met de Palestijnen, en zich er ook niet voor schaamde om zich regelmatig erg denigrerend om niet te zeggen racistisch uit te laten over Palestijnen. Belangrijker nog was dat hij niets anders had gedaan als premier, dan het uitbreiden van de nederzettingen, in een tempo dat nog hoger lag dan zijn voorganger Netanyahu. Ook had hij geweigerd om de Israelische troepen terug te trekken, zoals de bedoeling was geweest van de Oslo akkoorden. Dat was allemaal niet erg vertrouwenwekkend voor de Palestijnen, die er begrijpelijk moeite mee zouden hebben om te geloven dat Barak deze keer wel bereid zou zijn om ernst te maken met wat er nodig was om vrede te sluiten, stappen die nog aanzienlijk verder zouden gaan dan in 1993 met Oslo was gesuggereerd.

Degenen die hem kenden, zeggen dat Barak zelf erg besluiteloos was, en kennelijk zelf niet wist wat hij moest doen. Aan de ene kant begreep hij wel dat er toch een soort van overeenstemming met de Palestijnen nodig was, maar toen de onderhandelingen begonnen was Barak nog steeds niet bereid om Arafat te ontmoeten, die zich begrijpelijk vernederd voelde.

Bovendien: anders dan later werd beweerd heeft Barak geen concreet voorstel gedaan dat dan ook tenminste op papier had moeten verschijnen om de status van een serieus aanbod te krijgen. Zo’n document bestaat niet. Barak ging er later nog prat op dat hij de Palestijnen nog minder had beloofd dat zijn voorganger Netanyahu. Uit de verslagen van de direct betrokkenen bij de onderhandelingen was wel te construeren waar Barak mondeling ongeveer toe bereid zou zijn geweest. Dat kwam neer op een gedemilitariseerde zone van zo’n 85 tot 90% van de bezette gebieden, waarbij Israel het merendeel van Jeruzalem in handen zou houden, plus de meeste van de grote nederzettingen, die bovendien op de meest vruchtbare stukken van de Westoever waren gebouwd, en waarvan sommige zich tot diep in het Palestijnse land bevonden, plus zou Israel de meeste aquivers, de waterbronnen in eigendom houden, en Israel zou de militaire controle houden over de Jordaanvallei. Daarmee zou het leger dus bases houden binnen de Palestijnse staat, en zou de Palestijnse staat geen eigen grenzen hebben met Jordanie.

Had Arafat dus ja gezegd tegen het ‘genereuze aanbod’ van Barak, dan zouden ze nog minder dan de 22% van hun oorspronkelijke land hebben overgehouden, verdeeld in ongeveer drie enclaven die elk omringd zouden zijn door het Israelische leger, en van elkaar afgesneden door het wegennet van de nederzettingen, met een tekort aan water. Bantoestans dus, in plaats van een werkelijke staat. En bovendien zouden de Palestijnen zelfs over Arabisch Jeruzalem en de voor moslims heilige plaatsen op de Tempelberg geen soevereiniteit krijgen.

Kortom, de Palestijnen hadden al veel reden hadden om weinig vertrouwen in Barak te stellen, en dat werd nog erger: Barak ging door met uitingen van minachting, en breidde bovendien ondertussen de bezetting alleen maar uit, gaf niet alleen de Palestijnse maar ook een deel van de betrokken Israeli’s de indruk dat hij bezig was om alleen de minimale concessies te doen die noodzakelijk waren om zijn bezettingspolitiek voort te zetten, en de belangrijkste gebieden voor Israel te behouden.

Het is bovendien niet waar dat Arafat geen tegenaanbod heeft gedaan, en liever weg liep om de intifada te beginnen. Meerdere keren hebben Arafat en de andere Palestijnse leiders formeel en publiekelijk gezegd tot welke concessies zij bereid waren om vrede te sluiten. Ze waren bereid om afstand te doen van 78% van het gebied, op zich al een enorme concessie, en voor een Palestijnse staat genoegen te nemen met de overgebleven 22%. Ze erkenden bovendien de staat Israel binnen de grenzen van 1967. Op voorwaarde dat die Palestijnse staat er dan ook wel zou komen. Ze waren zelfs nog bereid om nog wat land af te staan om de grootste nederzettingen aan de grens door Israel te laten annexeren, en een aantal wijken in Oost Jeruzalem, en te accepteren dat Israel de souvereiniteit zou krijgen over het joodse deel van de oude stad dat feitelijk ook bezet gebied was.

Abu Ala (Ahmed Quray) de belangrijkste Palestijnse onderhandelaar in Camp David zei dat in een interview met een Israëlische journalist in oktober 2001 zo: “we hadden afgesproken dat we ons zouden houden aan de grens van 1967, wij zouden dus 22% krijgen van het hele historische Palestina, en jullie mochten de rest houden. Wij hebben Israel erkend, en ons neergelegd bij jullie behoefte aan veilige grenzen en wat er meer nodig was voor jullie veiligheid. Maar jullie hebben dat niet opgevat als een grote concessie van onze kant. In plaats daarvan hebben jullie dat gewoon in je zak gestoken en gingen jullie vervolgens door met nog meer op te eisen. Jullie wilden de enorme nederzettingen er ook nog bij hebben, waardoor ons land versnipperd zou worden tot een staat van losse cantons. Jullie doen nog steeds alsof heel Palestina van jullie is, alsof wij nooit hebben bestaan”. (Ma’ariv, 28 oktober 2001)

Kortom: het was volstrekt duidelijk wat de Palestijnen wilden, het werd alleen eenvoudig nooit door Israël erkend. Ook is er geen enkele aanwijzing voor dat Arafat het aanbod afwees omdat hij liever koos voor een bloedige strijd. En er is ook geen enkele aanwijzing voor dat de intifada ooit een ander doel had dan het beëindigen van de bezetting en het verkrijgen van een onafhankelijke Palestijnse staat.

Ook is er geen enkele aanwijzing voor dat Arafat de tweede intifada begon. Die brak, zoals bekend, ook niet uit op het moment dat Camp David mislukte, maar ruim twee maanden later, na een Israelische provocatie die moeilijk over het hoofd te zien was: Sharon besloot de Al-Aksamoskee op de Tempelberg te bezoeken vergezeld van een legertje van zo’n duizend man politie. Het is bovendien duidelijk dat er nog steeds contacten waren tussen de Palestijnse en de Israëlische onderhandelaars, ook de Palestijnse functionarissen hadden zich niet teruggetrokken. Wat tot gevolg had dat er nog een staartje kwam: de bijeenkomst in Taba, waarbij de Israëlische delegatie deze keer geleid werd door Yossie Beilin, een duif, geen havik. Die was bereid een stuk verder te gaan dan Barak, wat betreft Jeruzalem, de militaire aanwezigheid van Israël in het Palestijnse deel en de hoeveelheid land die door de nederzettingen in beslag zou worden genomen. In ruil daarvoor was de Palestijnse delegatie bereid af te zien van de volledige terugkeer van de vluchtelingen, en om een internationale veiligheidsmacht toe te staan in de Jordaanvallei. Het had dus nog wat kunnen worden, maar het kwam te laat. Barak was zich al aan het terugtrekken, het was duidelijk dat Sharon gekozen zou worden, en daarmee zou elke in Taba gesloten overeenkomst waardeloos zijn geworden.

De tweede intifada was bovendien zeker niet door Arafat op touw gezet. Alle deskundigen zijn het er over eens dat er sprake was van een explosie van spontane volkswoede, heel begrijpelijk gezien de hoop die na de Oslo accoorden de grond in was geboord. De Palestijnen waren er van uitgegaan dat zij bereid waren tot een grote historische concessie, en dat ze daarvoor een eigen staat zouden krijgen – dat was de strekking van Oslo, al waren de details nog niet vastgelegd. In plaats daarvan was het leven in de bezette gebieden in de jaren na 1993 alleen maar moeilijker geworden, de nederzettingen waren uitgebreid, toen al werd Gaza steeds verder omsingeld en werd de toegang moeilijker en het aantal arbeiders dat in Israël mocht werken beperkt – Arafat kwam met lege handen terug. De volksopstand was dus minstens zoveel tegen Arafat en zijn als machteloos en corrupt ervaren Fatah gericht als tegen de Israëlische bezetting. Pas gaandeweg kreeg Arafat weer enigszins de leiding in handen, en eerst alleen nog maar over de Fatah aanhangers, later pas ook weer over de islamitische groepen. Hij had in het begin ook weinig macht over de groepen die overgingen tot zelfmoordaanslagen.

Dat is overigens ook de conclusie van de Mitchell Commissie, een internationale commissie die onderzoek deed naar de Palestijnse intifada en de Israelische reactie daarop. Conclusies die overigens ook bevestigd werden door de interne Israelische diensten als de intelligence van het leger en de Shin Beth. Zo verklaarde Ami Ayalon, het hoofd van de veiigheidsdienst Shin Beth, dat Arafat geen rol had gehad in de voorbereiding van de intifada, maar dat er sprake was van een spontane opstand, die ontstond op het moment dat de hoop op het einde van de bezetting de grond in was geboord, en mede gericht was tegen de corruptie en machteloosheid van het Palestijnse gezag. Arafat kon niet op tegen de opstand van het volk en had al helemaal weinig gezag onder islamisten, zei Ayalon (Ha’Aretz 2 januari 2002) Dus besloot hij, om nog enigszins de leiding in handen te houden, de volksopstand te volgen in plaats van zich er tegen te verzetten.

Maar zelfs als Arafat wel het startsein had gegeven voor de intifada, wat had dat dan bewezen, vraagt Slater zich retorisch af. In het Westen is het een volledig geaccepteerde historische traditie, en al hemelaal in de VS, dat onderdrukte groepen die via de politieke kanalen hun rechten niet krijgen in verzet komen. In dit geval was het omstreeks 2000 een voor de hand liggend gegeven dat de Palestijnse bevolking niet meer geloofde in een politieke oplossing. Uiteraard moet er een onderscheid gemaakt worden tegen een gelegitimeerde opstand tegen een onderdrukkende staat en diens leger, en aanvallen op onschuldige burgers die de naam terrorisme verdienen en nooit zijn toegestaan, zegt Slater. Maar het wordt wel heel makkelijk vergeten dat er in de begintijd van de Palestijnse opstand geen sprake was van terrorisme. In die eerste weken van de intifada was er überhaupt nauwelijks van geweld sprake, er sneuvelden maar een paar Israëli’s. Daarentegen schoten de Israelische politie en het leger honderden Palestijnen dood.

Zelfs toen er, voorspelbaar, wel sprake was van gewapend verzet, en ook van geweld tegen burgers dat nooit te rechtvaardigen valt, was het verzet niet gericht tegen de staat Israël, of zoals Arafat en de zijnen bleven benadrukken, tegen de Israëlische bevolking, maar tegen de Israëlische bezetting. Het Palestijnse gedrag, en hun uitingen, waren, op een paar uitzonderingen na, volstrekt consistent. Zelfs toen onder Sharon duidelijk werd dat er geen terugkeer zou komen naar de mogelijkheid van een politieke oplossing, was het verzet toch bijna geheel gericht tegen het leger of tegen de meest extreme kolonisten van de nederzettingen in de bezette gebieden.

Dus ook als de terreuraanvallen na 2001 op burgers nooit goedgepraat konden worden, het is wel duidelijk dat niemand kan ontkennen dat er sprake was van een reactie op een toenemend repressieve en gewelddadige bezetting. De meeste journalisten, intellectuelen, deskundigen en voormalige militairen onderkennen dat er een direct verband is tussen verzet en repressie.

Het valt ook niet te ontkennen dat Sharons beleid er een was van voortdurende militaire aanvallen, ook, direct of indirect, op Palestijnse burgers. Volstrekt opzettelijk werd de Palestijnse infrastructuur verwoest, inclusief hun overheid, scholen, universiteiten, en zelfs de instituties voor de volksgezondheid werden doelwit. Hadden de Palestijnen wel een staat gehad als ze zich hadden beperkt tot geweldloos verzet, zoals Friedman suggereert? Er is geen enkele aanwijzing voor dat Barak en later Sharon zich iets gelegen hadden laten liggen aan geweldloos verzet en bereid zouden zijn geweest om de bezetting te beëindigen. Wat Israël in de bezette gebieden deed wijst juist op het tegendeel: de bedoeling was om elke opbouw van een min of meer zelfstandige samenleving tegen te gaan. Bovendien was er historisch gezien ook geen enkele aanleiding voor om te geloven dat Israël ooit bereid zou zijn om land op te geven, tenzij de kosten om ze te behouden te hoog zouden worden, zoals bleek bij de terugtrekking uit de Egyptische Sinai in 1973, en uit Libanon in 2000 en 2006. Israël was bovendien pas bereid om Arafat en de PLO als rechtmatige vertegenwoordigers van het Palestijnse volk te erkennen ná de eerste intifada. Toen pas ontstond er enige bereidheid om te onderhandelen.

Journalisten als Friedman, en met hem veel Amerikanen, staan nog kritieklozer tegenover Israël dan de Israëli’s zelf. Van de Arabische en islamitische landen is de kritiek te verwachten, maar die groeit inmiddels niet alleen internationaal in de niet-westerse wereld, maar ook in landen van West Europa die traditioneel gezien lang achter Israël stonden. Ook Friedman heeft daar geen ander antwoord op dan dat dat wel antisemitisme moet zijn, “ze willen graag dat Sharon een massamoord pleegt op de Palestijnen, dan kunnen ze de schuld die ze hebben aan de holocaust eindelijk afschudden en zeggen: zie je wel, die joden zijn erger dan wij waren”, is een van de uitspraken die Friedman eens deed. Maar er zijn steeds minder mensen die daar nog intrappen.

De literatuur, vooral van deskundigen en direct betrokkenen die Jerome Slater voor zijn artikel heeft gebruikt, en die dus gezien kunnen worden als primaire bronnen. Op Electronic Intifada is nog veel meer materiaal te vinden over het mislukken van Camp David. Hier.

En zie hier een deel van de film Peace, Propaganda and the Promised Land, dat gaat over Camp David, en de reacties van de media er op.

Hussein Agha and Robert Malley, “Camp David: The Tragedy of Errors,” New York Review of Books, August 9, 2001;
Agha and Malley, “Camp David and After: A Reply to Ehud Barak,” New York Review of Books, June 13, 2002;
Moshe Amirav, interview with Ha’aretz journalst Aryeh Dayan, “Barak Began Referring to ‘Holy of Holies,’” December 9, 2002;
Shaul Arieli, interview with Akiva Eldar, “They Just Can’t Hear Each Other,” Ha’aretz, March 11, 2003);
Yossi Beilin, The Path to Geneva (New York: RDV Books, 2004);
Beilin, “What Really Happened at Taba,” Ha’aretz, July 15, 2002;
Akiva Eldar, “On the Basis of the Nonexistent Camp David Understandings,” Ha’aretz, November 16, 2001;
Charles Enderlin, Shattered Dreams (New York: Other Press, 2003);
Gershon Gorenberg, “The Real Blunders,” Jerusalem Report, November 20, 2000;
Akram Hanieh, “The Camp David Papers,” Journal of Palestine Studies, Vol. 30, No. 2 (Winter 2001), pp. 75-97;
Baruch Kimmerling, “From Barak to the Road Map,” New Left Review, Vol. 23 (September-October 2003);
Menachem Klein, “Shattering the Myths of Camp David,” Ha’aretz, August 8, 2003;
Robert Malley, “Israel and the Arafat Question,” New York Review of Books, June 13, 2002; “Palestinian Response to the Clinton Proposal,” December 30, 2000, text in Report on Israeli Settlement in the Occupied Territories, (Washington, D.C.: Foundation for Middle East Peace, January-February 2001;
Jeremy Pressman, “Visions in Collision: What Happened at Camp David and Taba?” International Security, Vol. 28, No. 2 (Fall 2003): pp. 5-43;
Ron Pundak, “From Oslo to Taba: What Went Wrong?” Survival, Vol. 43, No. 3 (Autumn 2001), pp. 31-45;
William B. Quandt, “Clinton and the Arab-Israeli Conflict,” Journal of Palestine Studies, Vol. 30, No. 2 (Winter 2001), pp. 26-40;
Yezid Sayigh, “Arafat and the Anatomy of a Revolt,” Survival, Vol. 43, No. 3 (Autumn, 2001), pp. 47-70;
Jerome Slater, “What Went Wrong? The Collapse of the Israeli-Palestinian Peace Process,” Political Science Quarterly Vol. 116, No. 2 (Summer 2001), pp. 171-199;
Deborah Sontag, “A Special Report: Quest for Mideast Peace,” New York Times Magazine, July 26, 2001;
Clayton E. Swisher, The Truth About Camp David: The Untold Story About the Collapse of the Middle East Peace Process (New York: Nation Books, 2004)

3 gedachten over “Het ‘genereuze aanbod’ van Barak

  1. Gelukkige Kerstdagen, Anja!
    Ook al is het onder deze moeilijke omstandigheden waarin jij hier zit en je man opgesloten in Gaza. Dat je niet opgeeft voor de Palestijnse zaak te strijden, moet toch een troost voor ze zijn in deze bange dagen.
    Heleen

  2. Begin 2002 kreeg ik de “de BRUG” van het SIVMO van december 2001 te lezen van een kennis. Daar stond oa. een artikel in van René Backmann over wat zich werkelijk afgespeeld had in Camp David en Taba. Het tegenovergestelde van wat de media ons voorgeschoteld had. Dat vond ik zo interessant. Daar stonden verhalen in die de media ons nog nooit verteld hadden. Ik heb gelijk een abonnement op dat blad genomen en ben ik gelijk van paradigma 1 omgeturnd naar paradigma 3.
    Anja, ik weet niet hoe ik je de kerstdagen toe moet wensen, maar ik ben in gedachten bij je en met de mensen in Gaza en de Westoever. Sterkte! Ik blijf jullie steunen.

  3. Dag Anja, Mooi om dit weer op een rijtje te zien. Zelf vind ik altijd de meest bizarre mythe de bewering dat na de uitroeping van de staat Israel Arabische troepen de jonge staat aanvielen. Ze vielen het gebied binnen dat bestemd was voor de Palestijnse staat. De westbank, Galilea en een deel van de Negev. Hadden ze dat niet gedaan dan was in 1948 heel Jeruzalem, de hele Westbank en Gaza al onderdeel van de staat de Israel en misschien nog wel verder. De ambities van de voorgangers van de likud stopten immers niet bij de grenzen van het Mandaatgebied Palestina maar gingen uit van een gebied vanaf de Middelandse Zee tot ver in huidig Jordanië en Irak. En de Arabaische leiders hadden reden om aan te vallen. Immers ook met de oprichting van de staat Israel tot op heden zijn de gewenste grenzen van de staat Israel nooit bekend gemaakt.

    En inderdaad. Ieder onderzoek laat zien dat Joodse gemeenschap rond 1948 tot de tanden bewapend was.

Reacties zijn gesloten.