Kerk en staat (1)

Het blijft actueel: wat verstaan we nu eigenlijk onder de scheiding van kerk en staat? In december 2005 zette ik het volgende stuk op mijn weblog. Ik lees ondertussen ook Olivier Roy, De islam en de scheiding van kerk en staat, en hoop daar nog op terug te komen.

Als mensen zeggen: religie prima, als je dat maar thuis doet (en je er mij niet mee lastig valt) vind ik dat wel geestig. Alsof iemand tegen me zegt: je mag best socialist zijn hoor, als ik er maar niks van merk – socialist ben je maar thuis. Dat kan natuurlijk niet. Wat ik geloof werkt natuurlijk door in alles wat ik doe. Een wezenskenmerk van de grote godsdiensten is nu juist dat die niet alleen gaan over de relatie van mens tot God, maar ook wat te zeggen hebben over de relaties tussen mensen onderling – al zijn er ook mensen die religie alleen maar zien als hun allerindividueelste relatie met het hogere. Een vraag als: ben ik mijn broeders hoeder, of een uitspraak als: heb je naaste lief die is als jij, of heb de vreemdeling lief, want ook gij zijt een vreemdeling geweest in Egypte, zijn wezenlijk sociale, om niet te zeggen politieke uitspraken, die dwars staan op het neoliberalisme, het verlichtingsfundamentalisme en het vrijemarktgeloof, en we vinden equivalenten daarvan ook in de islam. Voor gelovigen die ook de sociale kant van hun religie ervaren is die mededeling, dat doe je maar thuis, nogal absurd. Hang je hoofd maar aan de kapstok, laat je hart thuis. Kijk niet om je heen. Zie niets.

Het hoort bij de nieuwe retoriek, vooral vanuit liberale-seculiere kant, en met name ingezet tegen moslims: religie, dat doe je maar thuis. Terwijl we ons in Nederland lang niet druk maakten over geloof, lijkt het wel alsof de afweer tegen moslims overslaat naar iedereen die zich tot een religie bekent. In dat liberale beeld is Nederland in wezen een seculiere samenleving, met een strikte scheiding tussen staat en kerk, en voor zover mensen (nog) een godsdienst aanhangen zou dat zo discreet mogelijk moeten gebeuren. De seculiere medemens zou gevrijwaard moeten worden van confrontaties met religieuze uitingen – de burger mag geen last hebben van de religie van zijn buurman. Laat staan aan moeten zien dat de belastingcenten worden besteed aan initiatieven of instanties met een confessionele signatuur – vandaar de roep om artikel 23 van de grondwet over de vrijheid van onderwijs maar op te heffen, het artikel dat ons naast artikel 6 (vrijheid van godsdienst) de vrijheid geeft om scholen te stichten met een bepaalde religieuze grondslag.

Natuurlijk is de vermenging tussen religie en samenleving ook lastig: het is duidelijk dat er geen consensus is over de richting die we wensen in het menselijk samenleven, en geen consensus over de mate waarin religieuze richtingen passen binnen een democratie die we ook aanhangen. Het is ook duidelijk dat met dezelfde religie zowel sociale als ook antidemocratische stromingen ondersteund kunnen worden. Dat geldt overigens ook voor niet-religieuze levensbeschouwingen en politieke opvattingen, er bestaan inmiddels zelfs tamelijk agressieve vormen van atheisme, waarvan je je af kunt vragen of die nog stroken met democratie en Grondwet. Antidemocratische stromingen zijn niet alleen verbonden aan de ene godsdienst, zomin als de sociale stromingen verbonden zijn aan een andere. De scheidslijnen lopen dwars door de godsdiensten heen. Zowel in het judaïsme, de islam als het christendom kennen we stromingen met varianten op ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’, in wezen sociaal en democratisch, als stromingen die diezelfde religie gebruiken om burgers in naam van God de wet voor te schrijven en hun gedrag autoritair te reguleren of zelfs om geweld goed te praten. De veelgehoorde uitspraak: ‘wij’ (westers, verlicht, democratisch) hebben een scheiding tussen kerk en staat, die ‘zij’ (moslim, achterlijk, en ondemocratisch) niet hebben blijkt alvast niet te kloppen. Ik bedoel maar: ik ben in Gaza terwijl ik dit schrijf. Op een piepklein christelijk minderheidje na is iedereen moslim. Toch vind je ook hier een heel scala van vergaand vrijzinnig tot steil gelovig – en bemoeit de overheid zich daar nauwelijks mee. Zowel de islamitische universiteit als de open universiteit ontvangt overheidssubsidie, zolang ze zich maar houden aan de algemene richtlijnen voor het onderwijs. Net als bij ons.
(Dit schreef ik voor Hamas in Gaza de overheid overnam)

Daar dacht ik opnieuw over na na het lezen van een interessant artikel in VolZin (2 december), van Erik Sengers, (godsdienstsocioloog aan de Theologische Universiteit Kampen) onder de provocerende titel: Nederland kent geen scheiding van kerk en staat – en dat moet vooral zo blijven. Want dit is de grap: iedereen is er kennelijk zo van overtuigd dat Nederland een scheiding van staat en kerk kent, dat niemand de moeite heeft genomen om na te gaan waar dat dan staat. Ga zoeken, in de Grondwet. Het staat er niet. Het blijkt helemaal niet voor te komen in de Nederlandse constitutionele traditie, het is er hoogstens een interpretatie van. Wat er wel staat: dat de burgers vrijheid van godsdienst hebben. Sengers die de verschillende opvolgende grondwetten van Nederland heeft vergeleken stelt:

De verhouding tussen kerk en staat wordt volgens de tekst van de verschillende grondwetten in Nederland dus geregeld door gelijkheid, door individuele en collectieve vrijheid en door de algemene kaders van de burgerlijke wetgeving.

Het punt is dat de scheiding van kerk en staat twee kanten heeft. De ene is dat religieuze organisaties en religieuze ideologieën geen invloed hebben op de staat. Maar de keerzijde daarvan is dat de staat zich ook onthoudt van inmenging in religieuze organisaties. Dus geen ondersteuning, maar dan ook geen controle. Daar blijkt in de praktijk niet veel van te kloppen. Want als de overheid eisen stelt aan de opleiding van imams en aan hun opvattingen over integratie, is dat wel degelijk een overtreding van de scheiding van kerk en staat.

Het eerste punt: die beroemde scheiding van kerk en staat bestaat dus niet, of alleen in een bepaalde gradatie. Het tweede punt: waarom zouden we die scheiding willen, of liever gezegd: hoe zou die er idealiter dan uit moeten zien en hoe ver moet die gaan?

Het is geen nieuwe kwestie. Sengers spreekt over een al sinds 1848 woedende discussie tussen confessionelen en liberalen over de interpretatie van de grondwet. De liberalen hadden in het begin de overhand, hun interpretatie kwam neer op een vergaande scheiding tussen kerk en staat – later kwam er een aanvullende interpretatie van de confessionelen (katholieken en Anti-Revolutionaire gereformeerden) die stelden dat vrijheid en gelijkheid betekende dat de overheid de kerkgenootschappen zou ondersteunen in het uitoefenen van hun maatschappelijke taak, naast de waarborg van vrijheid en gelijkheid. En zo kon het gebeuren, ik volg nog steeds Sengers, dat de overheid begon aan het subsidiëren van confessionele godsdienstige organisaties, eerst het onderwijs op lager, middelbaar en hoger niveau, daarna ook de maatschappelijke, welzijns- en gezondheidsinstellingen. Ook het kerkelijke jongerenwerk werd gesubsidieerd. De burgerlijke stand hielp mee met het registreren van de kerkelijke gezindheid van de Nederlanders, en werkte dus mee aan de kerkelijke administratie. En hoe hoger de eisen van de overheid werden aan de organisaties, denk bijvoorbeeld aan de professionalisering van de gezondheidszorg, hoe hoger ook de subsidies – ook aan de confessionele organisaties die niet bij de publieke instellingen mochten achterblijven.

Nu is er wel degelijk sprake van ontzuiling, de afstand tussen staat en kerk is wel groter geworden. Maar het is volgens Sengers beter om te spreken over een ontvlechting dan van een scheiding. En het is de vraag of een werkelijke rigoureuze scheiding, die er nu dus niet is, wenselijk zou zijn.

Het is niet vanzelfsprekend dat die ontvlechting alleen maar toe zal nemen. Sengers heeft het niet alleen over de radicale uitingen van de islam, maar ook over bepaalde vanuit de VS overwaaiende evangelicale kerken die steeds heftiger ageren tegen abortus, euthanasie, homoseksualiteit en de evolutietheorie. Ook in Nederland zijn zowel binnen de protestante kerken als binnen de katholieke kerk reactionaire stromingen zichtbaar. En willen we ons daar dan niet mee bemoeien?

Er zijn twee opties voor de toekomst, stelt Sengers. De ene is een radicale scheiding van staat en kerk, en dus een verandering van de Grondwet, waarmee er ook een breuk wordt geschapen in de Nederlandse politieke traditie. De kerken (en moskeeën) onthouden zich van uitspraken over de politiek. Tegelijk onthoudt de overheid zich van inmenging in de religieuze organisaties. Alle subsidies worden gestopt. Dit is wat de seculiere (liberale) elite wenst. Dat heeft dus ook consequenties, dat de religieuze instellingen nog meer dan nu voor eigen financiering moeten zorgen en dus ook (nog) meer afhankelijk zullen worden van subsidie uit eigen kring en uit het buitenland. Inmenging van de overheid is daarbij dan dus ook niet meer toegestaan. Wat er gepreekt wordt, wat er onderwezen wordt in het zelf gefinancierde extra onderwijs, wie dat onderwijst, dat gaat zolang de wet niet wordt overtreden dus ook niemand meer wat aan.

Een tweede optie is het laten voortbestaan van de huidige situatie. De verhouding tussen kerk en staat wordt gedefinieerd door de algemene uitgangspunten van vrijheid, gelijkheid en burgerlijke wetgeving. Dat betekent ook dat er ruimte blijft voor inmenging in de maatschappelijke functies van die instellingen (bijvoorbeeld met de vraag of ze integratie bevorderen), dat betekent dat er ruimte blijft voor subsidiering van emancipatorische activiteiten binnen de religies, dat er ruimte blijft om te zoeken naar nieuwe verhoudingen tussen de godsdiensten en hoe die vreedzaam samen kunnen leven. Het geeft de overheid ook de mogelijkheid om de kwalijke kanten van radicalisme en extremisme, bij alle godsdiensten, te beïnvloeden. (Waarbij ik meteen denk: doe ons een andere regering, want deze is te veel deel van het probleem in plaats van de oplossing) Het maakt het bovendien ook meer mogelijk dat ook gelovigen het gevoel hebben deel uit te maken van een groter verband en daar niet van te zijn uitgesloten. Sengers:

Vooral de financiële banden zijn in Nederland altijd uitermate succesvol gebleken in de integratie van religieuze en etnische minderheidsgroepen – zie de katholieken en de gereformeerden – en de bestrijding van extremistische uitingen. Bij een volledige scheiding van kerk en staat valt deze mogelijkheid van beïnvloeding en gesprek weg.

Een interessante gedachte.
Ga verder: hier.

10 gedachten over “Kerk en staat (1)

  1. Het is een kwestie van hebben of zijn, of zoals ik tegen mezelf zeg, je hebt tepels en je bent een man, verder is de evolutie niet gekomen. Geloof in een schepper, en een schepper zijn, kunnen niet zonder elkaar voortbestaan. Maar wat is dominant, dat is de vraag. Doe mij maar de wetenschappen, kunsten en muziek als baas boven baas. In de volkskrant ook zo een bewezen opinie, De Heer is waarlijk opgestaan! Sorry voor mijn in de taal ingebakken sekse-taal, en voor mijn voorkeur voor directe in plaats van indirecte belangstelling. Je ziet, ik heb er ook over nagedacht, en heb veel minder woorden nodig. Zo enne nu klap ik het laptopje dicht, tot na de zomer waarin ik mij met concrete zaken moet gaan bemoeien. Ik hoop op veel mooi weer, ook voor jou Anja, en tot dan dan maar.

  2. Wat mij persoonlijk het meeste tegenstond aan mijn kerk — de rooms-katholieke — waren de oordelen over anderen. Over homoseksuelen, over mensen die ongehuwd samenwonen, over iedereen die een ander standpunt innam. Ik ben al 20 jaar weg uit die kerk, maar de kerk is er in de loop van de tijd niks toleranter op geworden. Ik herinner mij een nachtmis die ik bijwoonde, geleid door aartsbisschop Simonis, waarin hij nadrukkelijk uitsprak dat de communie alleen bedoeld was voor degenen met een zuiver geweten. Achteraf vind ik het jammer dat ik niet opgestaan ben, en weggelopen. Niet alleen de arrogantie om te denken dat de incrowd allemaal werkelijk een schoon geweten zou hebben, maar ook de wreedheid om mensen te dwingen om terplekke kleur te bekennen. Goed, ik kwam er voor de muziek, niet voor de mis, dus ik ging sowieso niet ter communie, maar toch.

    Nog erger is, dat mijn kerk — nee, voorheen mijn kerk, ik ben er onlangs achter gekomen hoe ik me kon laten uitschrijven: bij de dichtstbijzijnde parochie — zich óók bemoeit met wat mensen moeten vinden van aardse, politieke zaken. In mijn ervaring was de kerk een opdringerige, jaloerse en totalitaire club. Overal bemoeiden ze zich mee, alles wilden ze van je weten, overal hadden ze een oordeel over. Geen enkele ruimte voor emancipatie, voor twijfel, voor een eigen standpunt. Zij tekenden de dikke zwarte lijnen, jij mocht de plaatjes inkleuren.

    De allergie die ik op basis daarvan ontwikkeld heb, herken ik in de discussie over de scheiding tussen kerk en staat. Ik vind het van fundamenteel belang dat mensen zélf nadenken, dat ze niet gedwongen worden om hun eigen opvattingen te onderdrukken of te ontkennen, maar dat ze de ruimte krijgen om te handelen in overeenstemming met hun eigen geweten. Ik vind het daarom al ondenkbaar dat ik mezelf zou onderwerpen aan zo’n sektarische organisatie, laat staan dat ik zo’n club de zeggenschap zou geven over de landelijke politiek.

    Maar goed, dat is vanuit mijn beleving. Jij beschrijft religie hier vaak als een gedeelde spirituele ervaring, als een punt waar veel levenslijnen samenkomen. Dat is uiteraard een volkomen ander standpunt. Ik zal absoluut niet beweren dat de ene visie de andere uitsluit, laat staan dat de ene waarder is dan de andere. Wat volgens mij wel een fundamenteel punt is, dat is het dogmatische karakter van het instituut kerk. Dat is niet waar jouw verbondenheid aan het geloof op gebaseerd is, dat is heel duidelijk. Maar het is wel waar de weerstand bij mij, en misschien wel bij meer ex-gelovigen, vandaan komt.

  3. Mij zijn dergelijke ervaringen bespaard gebleven, Anne-Marie, want ik ben geheel ongodsdienstig opgevoed. Ik vond het wel altijd kaal bij begrafenissen, want er was geen enkel ritueel voor in de plaats gekomen – hoewel dat zonder religie natuurlijk ook kan.

    Ik deel je kritiek op de kerk als instituut. Het heeft me er als socialist, en feminist lang van weerhouden om me voor religie te interesseren, toen ik in de vrouwenbeweging gevraagd werd om mee te werken aan de ‘feminisering’ van de kerken dacht ik nog: mij niet gezien, laat die kerken toch een zachte dood sterven.

    De ervaring in de Studentenekklesia heeft me op een ander been gezet, eerst werkte ik in De Rode Hoed om programma’s te maken, toen ging ik uit nieuwsgierigheid een keer kijken op zondag, als hetzelfde gebouw opeens een kerk is – en was meteen gegrepen. Zoals je verliefd kunt worden, niks aan te doen. Ik was wel nieuwsgierig of het zou houden – zoals je dat met verliefdheden ook hebt. Wat mij hielp was Oosterhuis als mentor, die me afhielp van alle ‘geruchten over God’, alle godsbeelden die ik afwees, en ook met zijn kritiek op de kerk als instituut. Niet voor niets door marxisten ‘opium voor het volk genoemd’ met dat idee dat je nu je lot braaf moest dragen, ook armoede, om later in de hemel beloond te worden. Ook alle dwang, en zoals jij dat ook zegt, dat er voor je wordt gedacht. En alle vreselijke oordelen, o ja.

    In de vormgeving heeft de Ekklesia nog steeds iets van de katholieke kerk, Huub is formeel nog steeds priester, maar zonder de dogmatiek en veel politieker. Huub heeft het ook wel eens oneerbiedig over ‘die sekte in Rome’. Kijk, dat scheelt, voor een linkserd als ik. Huub kan ook ongenadig vloeken, maar dat hoeft niet iedereen te horen.

    Ik ben heel blij met de ontdekking dat als je alle scheve godsbeelden en wat er mis is met de kerken als instituut wegdeed er nog iets over bleef – vond ik wel verrassend. En waardevol. Zoals Huub dicht over zijn zoon – ik kon zonder jou ook wel gelukkig worden, maar nu niet meer – zoiets heb ik met de Ekklesia – ik heb het niet nodig, ik zou zonder dat ook wel hetzelfde toen – en toch – nog steeds, jaren later, ben ik ontroerd, elke keer weer. En geeft het me weer dat vertrouwen, Huub heeft het ook over ‘een kort geding tegen het cynisme’, moeilijk in deze tijd om niet cynisch, ontmoedigd of alleen nog maar woedend te worden.

    Het grappige is dat veel van mijn collega’s van twintig jaar lesgeven nu ook weer terug zijn naar een of andere vorm van religie of spiritualiteit – misschien gewoon ook iets van leeftijd.

    De weerstanden kan ik me echt goed voorstellen. Ik nam een keer een vriendin mee die als meisje nog in de katholieke kerk op het zangkoortje zat en daar de eerste liederen van Huub zong. Tot ze liet weten lesbisch te zijn. Ze hebben haar zo ongenadig slecht behandeld dat ze in de Ekklesia zoveel associaties kreeg dat ze haast moest spugen.

    Ik heb nooit enige moeite met mensen die niet gelovig zijn – ik denk bij SPers vaak, wacht even, jij niet gelovig? Waar haal jij het dan vandaan om tegen de feiten in te denken dat er een betere wereld mogelijk is, is dat geen geloof dan? En ik heb nog steeds helemaal niks met mensen die in de kerk vroom zitten wezen maar in de politiek de andere kant opkijken bij onrecht. Maar soms vind ik het wel eens jammer, iemand die zo tegen is dat er niks meer door het schild heenkomt, jammer, denk ik dan, zonde, zoals ik dat ook denk bij mensen die niet begrijpen hoeveel rijker je leven wordt wanneer je niet leeft voor jezelf alleen. Jammer voor je. Zonde.

    En ik vind het echt vreselijk dat een anti-religie houding, hoe begrijpelijk ook, kan uitmonden in een totaal onbegrip voor moslims. Die hebben aan mij een bondgenote, omdat ik tegelijk ook heel goed begrijp dat je religie iets kan zijn dat je je werkelijk door niemand af laat pakken.

    Maar dit is het belangrijkste in die discussie over scheiding kerk en staat, hierboven, dat we een onderscheid moeten maken tussen kerk (synagoge, moskee) als instituut en de religie zelf. Wordt vaak verward.

    Ga eens mee. Ineke komt ook wel eens. Kijken of je moet spugen. We kunnen erna altijd gewoon naar de kroeg.

  4. Grappig, religie en politieke opvatting gelijk te stellen. Bestaat er dan toch iets als een linkse kerk?

  5. Voor mij wel. Ik beschouw het dan ook niet als een scheldwoord. Het komt van rechts maar ik neem het graag over. Een Geuzennnaam, zeg maar.

  6. Dank je voor je uitnodiging, Anja, misschien kom ik wel eens langs. Misschien. Ik moet daar nog wat op broeden, en over nadenken. Ik verwacht niet dat ik moet spugen, want eerlijk is eerlijk: ik heb ook moed en integriteit ontmoet in de kerk. Ik herinner me de zachtmoedige dorpspastoor die — tegen de geschokte gezichtjes van mijn klasgenoten in — heel serieus inging op de vroegwijze vragen die ik had bij de lessen Katechese. “Maar meneer pastoor, wat was er vóór god?” Aan de mensen op de werkvloer heeft het niet gelegen.

    Maar wat ik gemist heb in de kerk, is de onvoorwaardelijke acceptatie vanuit het instituut. “Je hoort erbij, wie je ook bent, wat je ook gedaan hebt. Laten we praten over je vragen en je kritiek.” Dat gelijkwaardige respect, dat trof ik daar niet. Je werd als schapen bijeengedreven, er werd je verteld wat je moest geloven, met de geloofsbelijdenis als steeds herhaald contract. Ik kon er steeds minder van meezeggen.

    Wat jij vertelt over de Studentenekklesia klinkt veel meer — ik hoop dat het niet respectloos overkomt, want zo bedoel ik het niet — als een praatgroep dan als een kerk. Als een plek waar elk individu welkom is om zijn plaats in te nemen in de groep. Als alle kerken zo waren, dan zou de wereld er stukken beter uitzien, dat geloof ik van harte. Maar ik ken alleen mijn eigen kerk, die van Maarten ’t Hart en Jan Wolkers lijkt me niks vrolijker, en de god van Ayaan Hirsi Ali zal me ook niet snel voor zich winnen. Die kerken, daar moeten we het niet van hebben.

  7. Hoewel, Anne-Marie. Ik heb in de jaren dat ik me inzette voor Palestina ook andere ervaringen opgedaan. Als het ging om praktische hulp – en geld – konden we altijd beter terecht bij de kerken, dan bij links, ook al waren er uiteraard ook kerken die falikant tegen hulp aan Palestijnen waren. Bij links was weinig te halen, die hadden vooral meningen. Zo zie je ook nu nog dat er bijvoorbeeld bij de opvang van ‘illegalen’ veel praktische hulp komt van de kerken. Ik had vroeger altijd een stevige afkeuring van alles wat rook naar ‘liefdadigheid’, ik vond dat erg oubollig, en ook ik leverde liever meningen. Dus ook op dat vlak, dat van de praktische hulp en het gewoon vinden dat je er voor je medemensen bent, mogen (sommige) kerken wel enig eerherstel en herwaardering. Denk ik nu.

    Maar verder kan ik me heel goed verplaatsen in wat je zegt hoor. Behalve dat er toch een subtiel maar wezenlijk verschil is tussen een praatgroep en zelfs mijn zo open kerk. Als het een praatgroep was, dan was ik daar al vele jaren geleden op uitgekeken, want daar heb ik al de partij voor.

    En nog een ding: die kerk van mij is wel open, maar tegelijk allesbehalve vrijblijvend. Er zijn ook mensen die vinden dat Oosterhuis veel te ver gaat in zijn politieke opvattingen – en dan ook nog openlijk lid van de SP – en het is stevig confronterend: wat doe jij eigenlijk, wordt er wekelijks aan je gevraagd. Beetje meer als een partij dus, dan als een praatgroep. Al hoef je niet de buurten in met folders.

  8. Anne-Marie en Anja, Babbelen jullie hier samen nog even een beetje door!!!!
    Ik leef mijn leven met de ervaringen van jullie beiden.
    Aan de ene kant hebben de kerken zich van een geweldige kant laten zien waar het betreft hun financiele steun aan “mijn” Palestijnse kinderen.
    Aan de andere kant voelde ik me zo alleen in de N.H.kerk in mijn huidige woonplaats. Heel anders dan in de dorpse gemeente waar vanuit ik naar Palestina vertrokken was.
    Iedereen kende elkaar en wist wat je deed.
    Eerder ervaarde ik het als een feest om naar de kerk te gaan, samen vanuit je geloof je ervaringen delen en van alles en nog wat op touw zetten voor je medemens, ook voor de gastarbeiders die in ons dorp waren komen wonen.
    Helaas is het hier heel anders. Vol goede moed ging ik hier ter kerke maar kwam steeds opnieuw weer zo leeg thuis dat ik het niet meer op kon brengen om te gaan.
    Er kwam een Evangelische gemeente.
    Of ik me bij hen wilde aansluiten werd me gevraagd.
    Ik zal er over nadenken zei ik. Toen ik mijn besluit genomen had werd ik alleen geaccepteerd als ik me opnieuw zou laten dopen want die drie druppels water, op mijn 20e, was de doop van Johannes geweest en zodoende ongeldig.
    Nee, voor mij deed de hoeveel water er niet toe, wel het met hart en ziel ondergaan van deze handeling.
    Soms ging ik met mijn moeder mee naar haar kerk, de Oud-Katholieke. Ik was niet met geloof opgevoed en wist niet eens dat moeder ooit, ver voor mijn geboorte, bij die kerk aangesloten was geweest.
    Nu ging ze plotseling weer en ik ging dus soms met haar mee.
    Op een dag kondigde de pastoor een bezoek aan.
    Ik was verbaasd en nog verbaasder toen hij mij kwam vragen of ik in het vervolg zo vriendelijk zou willen zijn om een kruisje te slaan als anderen dat ook deden want het stoorde zo als ik het niet deed.
    Nou ja, waar let men op dacht ik en is wat ik geloof niet belangrijker dan uiterlijkheden?
    Inmiddels heb ik al in geen jaren meer een voet in de kerk gezet.
    Van mijn geloof, zoals ik dat vroeger beleefde, is weinig meer overeind gebleven.
    Ik ben geen mens van woorden maar meer van daden en praktijk.
    Juist het sociale, de wijze waarop Jezus met de mensen omging heeft me altijd aangesproken.
    Mogelijk is het dit wat jij ook bij de Ekklesia aantreft Anja omdat jezelf zo in elkaar zit.
    Of vergis ik me?
    Groet Gerrie

    Maar op

  9. Anja + Annemarie, Inmiddeld heb ik “Klein verhaal van geloof” van 29 mei 2006 gelezen en alle reacties daarop.
    Dank jullie beiden het was zeer verhelderend !
    Veel heb ik er van herkenning in aangetroffen.
    Je bent oprecht een boffert Anja dat je het zo getroffen heb met je Gemeente in Amsterdam.
    Het feit dat ikzelf niet meer ter kerke ga is omdat er in onze stad geen Gemeente is waar ik mag geloven wat ik geloof maar geloven moet wat zij geloven en waar hetgeen wat ik van God ervaren heb niet in past.
    Eens heb ik een operatie, zonder narcose of verdoving, moeten ondergaan. De avond ervoor was ik bang en kon niet slapen.
    Ik was pas 9 jaar en zwaar gewond. Iemand had me van God verteld en die avond zei ik: Nou, als U echt bestaat dan moet U het maar laten merken want hoe zou ik het anders kunnen geloven?
    Het gekke onverklaarbare was dat het Licht werd in dat “dooie kamertje” waar ik met armen en benen vastgebonden lag.
    Een prachtig mooi Licht dat me intens gelukkig maakte, en geen kind bedenken kan, en zo ben ik in slaap gevallen.
    De volgende dag dus die operatie, waar ik plotseling niet meer bang voor was hoewel ik wist wat er met mij gebeuren ging omdat
    dit de 2e keer was.
    Toen de chirurg wilde beginnen, met het afsnijden van de huid van mijn dijbeen, werd ik slaperig en vroeg ik of ik mocht gaan slapen.
    De chirurg riep tegen de assistenten, die mijn been strak moesten houden,: Hou dat kind in de gaten!
    Verder heb ik niets gemerkt, tijdens de hele operatie heb ik een diepe slaap geslapen.
    Toen ik wakker werd stonden er veel mensen om mijn bed, ouders, doktoren en verpleegsters.
    Ja, daar is ze weer werd er geroepen, sjonge wat heb je het goed gedaan wat kan jij slapen zeg, we zijn trots hoor.
    Ik dacht: Zijn die mensen gek geworden ofzo?
    Je mag de hele week kiezen wat je eten wilt zei de dokter.
    Nou, geef mij dan maar knakworstjes zei ik. Hahaha!
    Maar Anja en Anne-Marie dit waren dan de momenten waarop het geloof mij aangereikt werd.
    Zelf heb ik er dus eigenlijk niets aan hoeven te doen dan alleen op latere leeftijd op verdere zoektocht te gaan.
    Want wat was dat Licht en waarom was ik in slaapgevallen?

    Die eerste kerkgemeenschap waar ik mij bij aansloot was met recht een geweldige gemeenschap met veel zorg voor elkaar en anderen. Mogelijk omdat het een kleine dorpsgemeenschap was.

    Nogmaals Anja, je bent een boffert!!
    Anne-Marie, het geloof zit dus niet in de kerk en hun regeltjes.
    Ervaringen kunnen je zomaar op het juiste spoor brengen op momenten waarop je het niet verwacht.
    En als je dan geluk hebt vind je eens op een dag de juiste mensen om dat geloof, en alles wat daar uit voortvloeit, mee te delen.

    ‘k Hoop dat mijn verhaal niet hinderlijk bij jullie overkomt!
    Groet,
    Gerrie

Reacties zijn gesloten.