Tekst interview Peyman Jafari

Peyman Jafari stuurde me de volledige tekst van zijn interview in de Volkskrant.

Het staat niet op de Volkskrant website, vandaar. Ik vond het erg informatief, en de moeite. Het is dus hier te lezen. Nog eens: het is bedoeld als informatie, en niet om er nu, hier, een discussie over aan te gaan. Wie vragen heeft aan Jafari kan daarvoor naar de website van de Groene. Het interview werd afgenomen door Peter Giesen.

Zat politicoloog Peyman Jafari de afgelopen weken koortsachtig te twitteren, om de protesten tegen de herverkiezing van de Iraanse president Ahmadinejad op de voet te volgen?

Jafari lacht een beetje meewarig: ‘De Twitterrevolutie, dat is zo’n enorme hype. Als je op Twitter kijkt, zie je honderden berichten. Vaak zijn het wilde geruchten, bijvoorbeeld dat er ergens 150 doden zijn gevallen. Later blijkt er niets van te kloppen. De belangrijkste vorm van communicatie in Iran is nog altijd die van mond tot mond.
‘Daarom bel ik veel met familie, vrienden, mensen die ik ken. Aanvankelijk stond ik ook helemaal stijf van de adrenaline. Dit is in geen jaren gebeurd: honderdduizenden mensen die de straat op gaan en leuzen roepen als ‘Dood aan Khamenei’. Maar de laatste dagen ga ik een beetje mee in de moedeloosheid die langzamerhand toeslaat. Ik hoor dat er heel veel militairen op straat zijn. Een vriend zei dat hij het gevoel had alsof er twee handen om zijn nek werden gelegd en hij niet meer kon ademen.’
Dertig jaar na de islamitische revolutie van 1979 gingen de Iraniërs weer massaal de straat op. Maar een omwenteling lijkt er deze keer niet aan te komen. Daarvoor zitten geestelijk leider Khamenei en president Ahmadinejad nog te stevig in het zadel.

Op lange termijn is hij wel optimistisch. De gebeurtenissen van de afgelopen weken hebben laten zien dat de Iraanse politieke elite diep verdeeld is, en dat een groot deel van de bevolking hunkert naar vrijheid. Op den duur zal het islamitisch bewind moeten toegeven, gelooft hij.

Peyman Jafari werd drie jaar voor de islamitische revolutie geboren in Teheran. Als klein jongetje maakte hij de oorlog met Irak mee. Hij herinnert zich nog levendig de grimmige sfeer en de angst dat een Irakese raket zijn huis zou treffen. In 1987 vluchtte hij met zijn ouders, eerst naar Turkije, toen naar Nederland. Nu werkt hij met een beurs van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) aan een proefschrift over de liberalisering van Iran tussen 1997 en 2005.

Hij wordt nog altijd sterk bewogen door het lot van Iran en de Iraniërs, blijkt uit zijn onlangs verschenen boek Het andere Iran. Te vaak wordt Iran louter gezien als een totalitaire ‘islamofascistische’ dictatuur, geregeerd door ayatollahs die uit religieus fanatisme bereid zijn de wereld mee te slepen in een nucleaire apocalyps. Natuurlijk, het islamistische regime is bruut en onderdrukkend, zegt Jafari. Maar de Iraanse leiders zijn machtspolitici, geen godsdienstwaanzinnigen.

De beeldvorming doet ook geen recht aan het andere Iran, dat de afgelopen weken zo vaak op televisie te zien was: een land van moderne mensen die hun lot in eigen hand willen nemen.

Het Westen moet zich daarom terughoudend opstellen, vindt hij. Een aanval of zelfs een regelrechte oorlog zal ook ‘het andere Iran’ treffen. Zowel letterlijk, in de vorm van onschuldige slachtoffers, als figuurlijk. De conservatieve islamisten rond Khamenei en Ahmadinejad zullen elke dreiging van buitenaf aangrijpen om hun eigen positie te versterken. Zo is het altijd gegaan, zegt Jafari. De onverwachte verkiezing van Ahmadinejad in 2005 werd sterk bevorderd door de krijgshaftige retoriek van president Bush, die Iran had ingedeeld bij de ‘As van het Kwaad’.

Raakt u niet ontmoedigd door het neerslaan van de protesten?
‘Jawel, maar ik ben optimistisch over wat er gaat komen. Deze crisis heeft duidelijk gemaakt hoe sterk verdeeld de elite van de islamitische republiek is. Mousavi is geen buitenstaander. Hij is een volgeling van de islamitische revolutie van Khomeini. In de jaren tachtig was hij de rechterhand van Khomeini. Nou staat hij lijnrecht tegenover het kamp van Khamenei en Ahmadinejad. Het is oorlog binnen de elite: de ene helft tracht de andere helft te elimineren. Daardoor wordt de machtsbasis voor het regime kleiner.’

Hoe moet het Westen hierop reageren?
‘Het Westen moet heel voorzichtig zijn. Ik vond de veroordeling van president Obama deze week eigenlijk al te scherp. Want zij geeft Ahmadinejad en zijn aanhangers de kans om te zeggen: zie je wel, de protesten worden door het Westen georganiseerd. Het is beter om steun te betuigen via organisaties als Amnesty International, de vakbonden of de studentenbonden.’

Maar komen Ahmadinejad en Khamenei daarmee niet veel te gemakkelijk weg?
‘Het hele denken van mensen als Ahmadinejad en Khamenei is doordrenkt van het feit dat Iran nu is omsingeld door Amerikaanse troepen. Ze geloven dat ze in oorlogstijd leven. Dat is volgens mij ook de reden dat er nu gefraudeerd is met de verkiezingen, terwijl ze in 1997 de verkiezing van de hervormingsgezinde president Khatami wel hebben toegestaan. Ze willen nu alles onder controle houden. Het zou een zegen zijn als die druk van buitenaf wegvalt. Dan wordt het veel gemakkelijker om kritiek op het regime uit te oefenen.’

Of de islamistische conservatieven kunnen ongestoord hun gang gaan.
‘Mijn grootste motivatie is een geloof in het Iraanse volk. Dat heeft een enorm reservoir aan energie. Het wil vrij zijn, zijn lot in eigen handen nemen. Maar het is te vaak onderdrukt, van binnenuit en buitenaf.’

Het is een belangrijk thema in Jafari’s boek: hoe het Westen met zijn superieure militaire macht de prille democratisering van Iran herhaaldelijk dwarszat. De tegenstelling tussen het verlichte Westen en de achterlijke, fanatiek religieuze islamitische wereld is veel te simpel, zo blijkt uit de Iraanse geschiedenis.

‘Van 1906 tot 1909 vond in Iran de Constitutionele Revolutie plaats, de eerste aanzet tot democratisering in het Midden-Oosten. Maar toen al kwamen de Britten en de Russen tussenbeide’, zegt Jafari. Het strategisch belang van Iran werd alleen maar groter na de vondst van olie in 1908. De latere Britse premier Winston Churchill noemde de Iraanse olie dan ook ‘een prijs uit het sprookjesland, voorbij onze wildste dromen’.

De Iraniërs vonden dat er te veel winst uit olie naar het buitenland vloeide. In 1951 besloot de gekozen premier Mossadeq de olie-industrie te nationaliseren. Twee jaar later organiseerden Groot-Brittannië en de Verenigde Staten een staatsgreep. De sjah werd geïnstalleerd als alleenheerser, die met harde hand regeerde. De oppositie, vooral bestaande uit seculiere nationalisten en communisten, werd uitgeschakeld. Alleen in de moskeeën bestond nog een publieke sfeer, waar een zekere ruimte voor kritiek was. Jafari: ‘Politiek duldt geen vacuüm. De islamisten doken in het gat dat door nationalisten en communisten was achtergelaten.’

De belangrijkste islamitische leider was ayatollah Khomeini. Hij keerde zich vooral tegen de grote Amerikaanse invloed in Iran.
‘De islam van Khomeini was ook nationalisme in een religieus jasje’, zegt Jafari. In 1964 werd Khomeini door de sjah verbannen.
De sjah deed het uitstekend in de westerse societypers, met zijn sprookjesachtige gemalin Farah Diba. Ook de Amerikanen waren uitermate tevreden over de ‘politieman’ die zij in de strategisch zo belangrijke Perzische Golf hadden neergezet. In december 1977 noemde de Amerikaanse president Carter Iran nog ‘een eiland van stabiliteit in een van de meest turbulente regio’s ter wereld’. Amper een jaar later gingen miljoenen Iraniërs de straat op om het vertrek van de sjah te eisen. Een algemene staking legde het land lam. In januari 1979 vluchtte de sjah, twee weken later landde Khomeini in Teheran.

Volgens Jafari was de islamitische revolutie in eerste instantie een brede coalitie van oppositiegroepen die de sjah weg wilden hebben. De revolutie was gericht tegen de dictatuur en tegen de grote Amerikaanse invloed. Maar toen de sjah eenmaal weg was, vestigden de islamisten hun eigen dictatuur. Ze gingen meedogenloos te werk. In het begin van de jaren tachtig werden naar schatting achtduizend tegenstanders geëxecuteerd, vooral linkse intellectuelen.

Toch kostte het Khomeini en zijn medestanders drie tot vier jaar om de revolutie onder controle te krijgen. Ook hierin speelde het buitenland een grote rol. Toen de Irakese president Saddam Hoessein, toen nog gesteund door het Westen, in 1980 besloot om Iran binnen te vallen, verenigden de Iraniërs zich tegen deze indringer. De oorlog zou acht jaar duren.

Het Westen heeft ongetwijfeld een kwalijke rol gespeeld. Maar is het niet al te gemakkelijk om steeds naar het Westen te wijzen? Het islamisme is geen westerse uitvinding.
‘Nee, maar zo bedoel ik het ook niet. In Iran hebben de oppositiepartijen ook enorme fouten gemaakt, bijvoorbeeld door niet samen te werken tegen de sjah of tegen Khomeini. Het islamisme is eind 19de eeuw ontstaan als een reactie op het westers imperialisme in Azië. Lange tijd is het heel klein gebleven. Pas in de jaren zestig en zeventig is het sterk geworden, toen de sjah de seculiere oppositie had uitgeschakeld. Dat is in Iran zelf gebeurd, weliswaar met westerse steun.’

U bent in 1976 geboren. Heeft u herinneringen aan Khomeini?
‘Natuurlijk. Mijn vroegste herinnering is dat ik een bordje met een foto van Khomeini maakte voor een demonstratie waarin ik meeliep. Mijn moeder, en haar familie, was heel vroom. Mijn vader was een secularist, een aanhanger van Mossadeq.

‘Ik herinner me dat mijn zusje begon te huilen, toen mijn vader weer eens zat te schelden op Khomeini. Ze zei: mijn juf op school zegt dat Khomeini zo’n goede man is en jij zegt alleen maar lelijke dingen over hem. Toen leerden onze ouders ons dat we op school nooit mochten vertellen wat er thuis werd gezegd.’

U groeide op tijdens de oorlog.
‘Mijn vader was een hoge militair. Hij zat aan het front. Een keer in de drie maanden kwam hij ons opzoeken, voor een weekend, soms een week. Bij zijn vertrek droeg hij altijd een zonnebril. Later begreep ik dat hij zijn betraande ogen niet wilde laten zien. Hij is een heel trotse man.

‘Het was wel een periode van grote solidariteit. Op school werd gezegd: we moeten spullen inzamelen voor de vluchtelingen. Iedereen ging naar huis om spullen op te halen. Mijn moeder moest ons tegenhouden, anders hadden we onze hele huisraad weggegeven.’

Maar heeft u het geweld aan den lijve ervaren?
‘In de laatste fase van de oorlog bombardeerde Irak de Iraanse steden. Ik kan me nog heel goed herinneren dat de raketten overvlogen. Zo lang je de motor hoorde, was het goed. Maar als het stil werd, kwamen ze naar beneden. Dat zat helemaal in je hoofd. Ik herinner me dat een raket een eindje verder neer kwam, waar mijn oma woonde. Ik zat bij het raam en werd bijna naar buiten getrokken door de drukgolven. In paniek reden we naar het huis van mijn oma, maar gelukkig was de raket op een braakliggend terrein terechtgekomen.

‘Aan die angst heb ik een heel grote afkeer tegen oorlog overgehouden. Er vallen onvermijdelijk onschuldige slachtoffers, terwijl de machthebbers vaak ongedeerd blijven.’

Waarom zijn jullie uiteindelijk gevlucht?
‘Mijn vader was te kritisch. Toen hij een dagvaarding voor een militaire rechtbank kreeg, besloot hij te vluchten. We zijn naar Turkije gegaan. Daar hebben we twee jaar gezeten. Elke zes maanden kwam er een delegatie van een land om te kijken welke vluchtelingen ze wilden opnemen. Wij zijn toevallig door Nederland uitgekozen.

‘Via Apeldoorn kwamen we in Maastricht terecht. Mijn vader, een hoge officier, werd chauffeur op de stadsbus. Mijn moeder, lerares in Iran, ging wc’s schoonmaken. Later werd ze verpleegkundige.’

Jafari’s vader is nooit meer naar Iran teruggekeerd, ook niet toen zijn ouders overleden. Als zoon van een vluchteling kon Jafari echter gewoon wetenschappelijk onderzoek naar de islamitische revolutie doen, in Teheran en andere steden. Dat tekent de merkwaardige situatie in Iran. Het is geen democratie, maar ook geen volledige dictatuur. Uiteindelijk hebben de islamisten de touwtjes in handen, maar vaak staan ze enige vrijheid toe.

Vooral de middenklasse trekt zich weinig aan van het islamisme. Jongeren volgen de laatste mode, kijken via schotelantennes naar de westerse televisie en gebruiken stiekem alcohol en drugs. Achter de schermen is veel mogelijk, in het land van de ayatollahs.

Bewijzen de gebeurtenissen van de afgelopen weken niet dat de islamitische republiek nog stevig in het zadel zit? Er is ongetwijfeld gefraudeerd, maar er hebben ook veel mensen op Ahmadinejad gestemd.
‘Ja, dat is ook zo. De marge van elf miljoen stemmen tussen Ahmadinejad en Mousavi vond ik ongeloofwaardig. Ik had een nek-aan-nekrace verwacht. Maar er is een groot verschil met 1979, toen Khomeini de macht greep. De sjah had weinig steun in de samenleving. De Islamitische Republiek is daarentegen diep geworteld.

Dat komt ook doordat de islamisten een heel populistische politiek hebben gevoerd. In de jaren tachtig deden 12 van de 70 miljoen Iraniërs een beroep op religieuze stichtingen die de armen ondersteunden. Ook Ahmadinejad is een populist. Het kantoor van de president deelde in de eerste twee jaar van zijn bewind 10 miljoen dollar uit aan mensen die om hulp verzochten. Daarnaast zijn er veel mensen die in het staatsapparaat werken.

‘Maar Iran heeft te maken met grote sociale en economische spanningen. Elk jaar moeten 800duizend jongeren de arbeidsmarkt betreden. Velen hebben behoorlijk onderwijs gehad, maar kunnen geen baan vinden. Als je geen baan hebt in Iran, kun je ook niet trouwen. Veel mannen wonen tot hun 40ste bij hun ouders. Dat geeft enorme frustraties.

‘Ook is er sprake van secularisering. Mensen zijn niet anti-religieus, maar beschouwen zichzelf als moslims die zich niet per se iets aantrekken van religieuze voorschriften.’

Maakt het u niet onrustig dat mensen als Ahmadinejad straks misschien over een nucleaire bom beschikken?
‘Volgens het Internationaal Atoomagentschap is er geen bewijs dat Iran aan een kernwapen werkt. Natuurlijk kun je niet uitsluiten dat ze er ooit wel een willen hebben, ook om de Amerikanen af te schrikken.

‘De diplomatieke middelen om dat te voorkomen zijn niet uitgeput. Maar het zijn geen malle moellahs, die uit religieus fanatisme een kernwapen zullen afschieten, zoals weleens wordt gezegd. Het zijn machtspolitici. Ze weten dat ze vernietigd zullen worden als ze een kernwapen zullen gebruiken.’

Is het niet beter om de nucleaire installaties van Iran preventief aan te vallen, voor de zekerheid?
‘Het hele Midden-Oosten zal in brand staan, als dat gebeurt. Ik moet er niet aan denken.’