Wie we bedoelen als we wij zeggen

razzia2.jpg

Dit is de tekst die ik uitsprak op de 4 mei herdenking, bij gedenkplaats Rozenoord. De foto hierboven is van de laatste grote razzia in de Lekstraat, op 20 juni 1943. Meer over de Rivierenbuurt in de bezettingstijd onder mijn tekst.

Beste buurtgenoten,

Het is al zo lang geleden, dat onze oorlog was afgelopen. Onze oorlog, want het was nog niet de laatste. Het is net zo lang geleden als ik oud ben, want ik ben nog net een oorlogskind.

Ieder van ons heeft een eigen reden om, toch, na zoveel tijd, hier te zijn om samen te herdenken. Voor sommigen van u is het trouw aan degenen die het niet hebben overleefd, de mensen die er bij hadden moeten zijn toen de bevrijding eindelijk kwam. Voor velen van ons zijn dat mensen die we niet willen en niet kunnen vergeten. En misschien is de weemoed en het verdriet ook vermengd omdat we de mensen missen die het wel hebben overleefd maar er nu niet meer zijn. We weten het: het duurt niet zo lang meer voordat er onder ons geen mensen meer zijn die de verhalen van de oorlog zelf nog na kunnen vertellen. Misschien is dat de reden dat er juist de laatste tijd zoveel nieuwe boeken verschijnen, en we zo ons best doen om die verhalen vast te leggen.

Onze buurt heeft veel van zulke verhalen. Elk huis heeft een verhaal. Van de duizenden joden die in de Rivierenbuurt woonden, waarvan er maar zo weinig zijn teruggekomen. Maar ook de verhalen van de mensen die machteloos toekeken toen de buren werden weggehaald, en dat beeld van hun leven niet meer vergeten. En dan de mensen van het verzet in deze buurt, van de tramremise in de Lekstraat, ook van hen heeft niet iedereen het overleefd, en ook zij hadden verhalen die we niet mogen vergeten.

Ik heb me afgevraagd waarom het me maar niet lukt om de oorlog echt achter me te laten. En dat is omdat ik tot op de dag van vandaag ben blijven zitten met een vraag die zo groot, zo enorm is, dat het niet lukt om die te beantwoorden, hoeveel ik er ook over gehoord en gelezen heb. Maar hoe meer ik er van weet, hoe meer ik constateer dat ik het niet begrijp, en dat is: hoe heeft het kunnen gebeuren? Hoe kon het gebeuren dat er in een beschaafd land werd besloten dat er groepen mensen zijn die minder menselijk geacht werden te zijn dan andere mensen. Die zo weinig mens waren dat ze het niet verdienden om te blijven leven. En dat er mensen waren die de propaganda, dat er Untermenschen waren, inferieure mensen, die een gevaar opleverden voor de samenleving en dus dood moesten, dat er mensen waren die dat geloofden, en bereid waren er aan mee te werken dat die mensen zouden verdwijnen. Oorlog kan ik begrijpen, volken die tegen elkaar vechten, maar dat: de wens om miljoenen mensen de dood in te sturen, niet om wat ze gedaan zouden hebben, maar om wat ze zijn, dat gaat mijn verstand te boven.

Ik heb mij in mijn leven door veel mensen laten inspireren, altijd dankbaar dat er op beslissende momenten iemand de woorden aangaf die mij iets lieten begrijpen wat ik misschien alleen maar kon voelen. Een daarvan is de joodse dichteres Adrienne Rich, die eens zei: “weten we wel wie we bedoelen als we wij zeggen?” Er is geen woord zo politiek beladen als het woord “wij”. Elke keer als we zonder er bij na te denken “wij” zeggen besluiten we wie er bij ons horen. Maar ook wie niet. En daar begint het mee, met de scheidslijn die we trekken: deze mensen horen bij ons, daar ben ik verantwoordelijk voor, die andere mensen, “zij”, daar ga ik niet over. En zo begon het toen: dat massaal de beslissing werd genomen dat er mensen waren die er niet echt bij hoorden. Voordat je kunt beslissen dat er mensen zijn die minder menselijk zijn dan anderen en dus het land uitmoeten, of erger, is er eerst dat denken in wij en zij.

Ik weet dat er mensen zijn die onze dodenherdenking niet willen gebruiken voor iets anders dan waar het in wezen om gaat: de eerbied voor de mensen die zijn gevallen of vermoord. Ik ben het er mee eens dat dat het belangrijkste is waarom we hier zijn. Maar toch denk ik dat er ook mensen zijn, juist nu, in deze tijd, die die ene grote vraag niet af kunnen schudden: wat toen gebeurde in een beschaafd land, kan dat weer? Is het mogelijk dat opnieuw een groep mensen als “anders” benoemd wordt, tot zondebok gemaakt wordt voor al onze angsten, mensen die gezien worden als minder menselijk, mensen die onze bescherming niet verdienen, mensen die we niet bedoelen als we wij zeggen?

Wij die in vrijheid leven, en de vrijheid hebben om zelf te beslissen wie er bij ons horen – ik meen het uit het diepste van mijn hart dat wij ons in naam van degenen die we vandaag herdenken, de mensen die er niet meer bij kunnen zijn, verplicht zijn om er alles aan te doen wat we kunnen om er voor te zorgen dat het nooit meer gebeurt. Dat we ons nooit meer zo op laten splitsen in wij en zij. Dat wij er voor staan dat er niemand meer vervolgd wordt, gewoon, om wat ze zijn.

Dank u wel.

Over de Rivierenbuurt tijdens de bezetting: hier

En hier over de joodse gemeenschap in de Rivierenbuurt.

Over het Kindermonument en de Rivierenbuurt, hier.

Over Dick Neijssel, hier

razzia.jpg

dick1.jpg
(Dick Neijssel plakt verzetskrant aan de lantaarnpaal)

danielwillinkplein.jpg

danielwillinkplein2.jpg

Verzamelplaats Daniel Wilinkplein, nu het Victorieplein.

2 gedachten over “Wie we bedoelen als we wij zeggen

  1. Mooie toespraak, Anja.
    Je schrijft: “Oorlog kan ik begrijpen, volken die tegen elkaar vechten.” Het zijn toch geen ‘volken’ die oorlog voeren, maar machthebbers, die om politieke, militaire en tegenwoordig meestal economische redenen elkaar bestrijden en ‘volken’ opruien, zodat ze, de machthebbers, draagvlak krijgen voor hun oorlogen?
    Je hebt al vaak geschreven dat je de Jodenvernietiging niet begrijpt. Je spreekt van het beschaafde land Duitsland. Maar de beschaafde Duitsers hadden sinds het midden van de negentiende eeuw, sinds met name de machiavellistische methoden van Bismarck, geen bepalende invloed meer op de Duitse politiek. Door een geheel van omstandigheden, door Europese machthebbers vanaf midden negentiende eeuw gecreëerd, kon Hitler aan de macht komen.
    De Weense socioloog August Knoll schreef in 1963 over de rassenwaan van de Nazi’s: “Het nationaal-socialisme is de beweging, die het Pruisische zwaard ter beschikking heeft gesteld aan de Oostenrijkse psychopathologische uitbouw van de rassenideologie.”
    Mijn vraag in deze is hoe het heeft kunnen gebeuren dat het Duitse Idealisme in de eerste helft van de negentiende eeuw, waarin het individu centraal stond, vanaf 1848 plaats heeft kunnen maken voor “Realpolitik” (begrip dat in 1853 geïntroduceerd is).

    Groet,

  2. Een heel mooie toespraak, Anja.

    Je zegt: “En zo begon het toen: dat massaal de beslissing werd genomen dat er mensen waren die er niet echt bij hoorden. Voordat je kunt beslissen dat er mensen zijn die minder menselijk zijn dan anderen en dus het land uit moeten, of erger, is er eerst dat denken in wij en zij.”
    Inderdaad. Zoals de uitlating, dat 30 miljoen mensen (i.c. moslims) uit Europa zouden moeten worden gezet…..

    Je zegt: “Elk huis heeft een verhaal.” Dat doet me aan het volgende denken. Eerder schreef ik al iets over mijn vroeger ouderlijk huis, waarin de beruchte oorlogsmisdadiger Patist had gewoond, die naar Franco-Spanje was ontkomen. Het bizarre toeval wil, dat daarin óók de beroemde socialistische schrijver A.M. de Jong heeft gewoond, en wel van 1930 tot 1936. Daarna heeft hij korte tijd in Den Haag gewoond, resp. in Blaricum, waar hij, als tweede geval van de beruchte “Silbertanne”-moorden (wraakneming vanwege aanslagen op NSB-ers e.d.), op 18 oktober 1943 op uiterst laffe wijze in zijn eigen woonhuis werd vermoord.

    Nog een herinnering: op 4 mei 1969 stond ik met anderen met een spandoek op het Domplein in Utrecht, tijdens de dodenherdenking. Tekst: “Vrijheid ook in Griekenland!” (Het was de tijd van de fascistische junta daar, van 1967 tot 1974). Een heel boze man kwam op ons af, en riep: “Ga daarmee maar midden in Athene staan!” Mijn reactie toen: “Dat is het ‘m juist! Dat kan daar helemaal niet!”

Reacties zijn gesloten.