Wat ons bindt. Erbarmen

Wat ons bindt: erbarmen en barmhartigheid

Overdenking voor De Duif, 8 augustus 2010
Anja Meulenbelt

Het is een paar dagen voor het begin van de ramadan, de heilige maand voor onze landgenoten die moslim zijn. Het is een gebruik dat onbekend is voor christenen, en helemaal voor mensen zonder geloof. Wij vieren Kerstmis en Pasen. Wij, niet-moslims, bidden niet vijf keer per dag. Vroeger waren er wel dames die met een hoed op naar de kerk gingen, maar we dragen geen hoofddoek. Op het eerste gezicht is er veel wat ons van elkaar onderscheidt. En dat wordt versterkt, en verward, omdat veel van de Nederlandse moslims een andere achtergrond hebben. Soms weten we niet wat nu religie is en wat traditie of cultuur. Veel moslims weten dat zelf ook niet, want wonend in Turkije of Marokko of Pakistan doet het er niet toe, zoals we in Nederland ook praten over ‘onze cultuur’ en aannemen dat die joods-christelijk is, zonder dat we precies kunnen vertellen wat nu religie is en wat gegroeide traditie. Is een kerstboom typisch christelijk, of een overgebleven heidense traditie? Toch ben ik in de loop van de jaren overtuigd geraakt dat onder de zichtbare verschillen door, wij met elkaar, kinderen van Abraham, volken van het boek, veel meer met elkaar delen dan van elkaar verschillen. Niet alleen in onze basale menselijkheid, maar dieper, in de basis van ons geloof. Of zoals Anton Wessels, een christelijke islamkenner zei: alle drie de grote godsdiensten gaan over recht doen, en liefhebben.

Ik wil voordat ik het heb over mijn ontdekkingsreis naar de islam nog wat anders zeggen. Een kleine overdenking die ik heb meegekregen van een Amerikaanse dichter: vrouw, moeder, lesbisch, joods. Ze heet Adrienne Rich en dit is wat ze zei: beseffen we wel wie we bedoelen als we wij zeggen. Wij, er is geen woord dat zo politiek is als het woord wij, want elke keer dat we het zonder er bij na te denken uitspreken trekken we een denkbeeldige streep tussen de mensen die bij ons horen, en wie niet. Met het woord wij verbinden we, en sluiten we uit. Aan dat citaat heb ik veel moeten denken in de afgelopen jaren, nu we een steeds verder gepolariseerde ‘wij’ en ‘zij’ samenleving dreigen te worden.

Ik werk al vijftien jaar in de Gazastrook, voor gehandicapten. Ik heb er de mensen van heel dichtbij leren kennen. In het begin dacht ik er niet zo over na dat ik in een islamitische samenleving terecht was gekomen. Ik kon het goed vinden met de mensen, die echt, zoals het cliché luidt, ongelooflijk gastvrij zijn. Daar is het bijbelse idee van de vreemdeling die je welkom heet nog geheel intact. Het idee is ook in die regio, in dat landschap geboren, dat willen we nog wel eens vergeten als we over christelijk Europa en het Arabische Midden-Oosten hebben. Jezus, ons grote voorbeeldmens, kwam uit Nazareth. Ik kan hem, als ik daar ben, bijna zien lopen tussen de vissers en de schaapherders, tussen de mensen die Issa – Jezus, of Musa – Mozes heten. Of Maryam – Maria.

Maar natuurlijk waren er ook verschillen. Ik zal een voorbeeld geven van zo’n misverstand, als je uit verschillende culturen komt. Vaak, als ik vrouwen leerde kennen, vroegen ze mij naar mijn kinderen. Dat lijkt onder vrouwen waar ik ze ter wereld ook heb ontmoet altijd de eerste vraag. Eén kind, zei ik dan, een zoon. Nou, dat was beter dan niks, maar één kind, dat is voor een Palestijnse wel erg weinig. En je man, vroegen ze dan. Mijn man is weg, want die sloeg, zei ik dan – een beetje kort door de bocht. Dat gaf altijd geluiden van herkenning en medeleven. Ja, slaan, dat deden Palestijnse mannen ook wel eens. En nu woon je samen met je zoon, vroeg iemand me vervolgens. Nee, zei ik, want mijn zoon is al volwassen, die is het huis uit. Dit is het moment dat er een verwarde stilte viel. Ik had de vraag niet goed begrepen en het duurde even voordat ik dat door had. Je enige zoon het huis uit? Maar, wie zorgt er dan voor jou?

Kijk, dit was een verschil. In Gaza is het leven bepaald niet gemakkelijk, maar niemand is er alleen. Wat er ook gebeurt, je kunt altijd rekenen op je familie. Daar kun je ook gek van worden, dat je nooit alleen bent, maar in Gaza heb je vrijwel geen weeshuizen en geen bejaardenhuizen, iedereen heeft familie die voor je zorgt, hoe jong of hoe oud je ook bent. En als je niets meer te eten hebt dan ga je naar de zoon van je vaders broer, en die geeft je wat je nodig hebt. Toen er eens op het Palestijnse nieuws was dat er in Frankrijk oude mensen van de hitte stierven, en dat er honderden niemand hadden om hen te begraven waren ze ontzet, in Gaza. Niemand om je te begraven, dat is de ultieme eenzaamheid. Zo zouden zij nooit omgaan met hun ouders, met hun bejaarden. Zij zouden de ouderen altijd respect betonen. Ze zeiden het niet, want ze zijn behalve gastvrij ook ontzettend beleefd, maar ik hoorde ze denken: wat een barbaars land is dat Frankrijk. En in Kosovo, waar ze minder beleefd zijn, zei een moslimvrouw eens tegen me: bij jullie mag je hond wel op de bank zitten, maar je oude moeder doe je de deur uit.

Soms moet je eerst op reis, naar een ander land, naar andere mensen, om opnieuw, met frisse ogen naar je eigen leven en je eigen land te kijken. En te ontdekken dat het niet zo eenvoudig is, zoals tegenwoordig vaak gebeurt, om simpelweg te stellen dat de ene cultuur, het ene geloof, superieur zou zijn aan het andere.

En zo heb ik, toen in Nederland die nare golf van wantrouwen ontstond tegen moslims, meteen gedacht: over wie hebben ze het, als wat ze zeggen niet eens geldt voor mijn mensen in dat afgesloten en traditionele Gaza. Over welke moslims praten ze eigenlijk? En zo ben ik op onderzoek gegaan in eigen land, ik ben op iftars geweest, in moskeeën, op bijeenkomsten van emanciperende moslima’s, ik heb me veel laten vertellen over de koran, en dit is wat ik heb geleerd.

Dwars op het beeld van de islam die gewelddadig, vrouwenonderdrukkend en autoritair zou zijn, heb ik de koran ontdekt als een boek waarin mensen principieel aan elkaar gelijkwaardig zijn. Zelfs het idee dat vrouwen gehoorzaamheid verplicht zouden zijn aan mannen komt er niet in voor. Zo horen we die beroemde soera die Mine en Medine voor ons hebben gelezen: O mensheid, we hebben jullie geschapen uit een man en een vrouw en wij hebben jullie tot volkeren en stammen gevormd, opdat jullie elkaar leren kennen. Zo heeft onze ene God het bedoeld: Hij heeft de veelkleurigheid geschapen, de diversiteit, en ons opgedragen ervan te genieten en ervan te leren, en elkaar te behoeden. Voorwaar, de gelovigen zijn elkaars broeders en laat een volk niet een ander volk beledigen.

En er is nog veel meer. Alle drie grote verhalen gaan over migratie, over de vlucht uit angstland, uit het diensthuis waar we slaven waren, de reis naar de bevrijding. Uit Egypte naar het beloofde land. Van Mekka naar Medina, om er een nieuwe samenleving te bouwen, schrijft Anton Wessels in zijn komende boek. In bijbel zowel als in de koran staat centraal dat we ons moeten weren tegen onderdrukking. Ook de onderdrukking van anderen.

Karen Armstrong dacht dat ze haar geloof was kwijtgeraakt toen ze uit het klooster trad. Maar ze ontdekte het opnieuw toen ze studie ging maken van de oude godsdiensten. En dit is wat zij ontdekte: dat alle religies in wezen zijn opgebouwd rondom die ene kern die we al bij Confucius tegenkomen. Om de Gouden Regel die we ook vinden in het beroemde verhaal over de rabbijn Hillel, levend in de tijd van Jezus, die door een ongelovige werd gevraagd of hij het verhaal van zijn geloof kon vertellen staande op één been, en zei: wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet. En erbij vertelde dat de rest van de Thora alleen maar toelichting was bij die ene centrale boodschap. De Gouden Regel, of met andere woorden: compassie, medeleven, mededogen, erbarmen. Compassie is dat als je ‘wij’ zegt niet alleen je eigen kinderen, je eigen familie, je eigen volk bedoelt. Compassie, staat geschreven in het Handvest dat we hebben uitgedeeld, ‘is onze drijfveer om ons onvermoeibaar in te zetten voor het verzachten van het leed van onze medeschepselen, en om recht te doen aan de onschendbare heiligheid van ieder mens, en een ieder, zonder enige uitzondering, te behandelen met volstrekte waardigheid, billijkheid en respect. Barmhartigheid, dat is wat de moslims bedoelen als ze bidden: Bismi Illeh al-Rahman al-Raheem – in naam van God, de Barmhartige, de Erbarmer. Erbarmen is wat we bedoelen als we zingen met de woorden van Huub Oosterhuis: Maar soms wordt lijden opgeschort of dragen mensen het samen. Zo zouden we moeten leven.

Amen.

(Het Handvest voor Compassie, een initiatief van leiders uit het jodendom, de islam en het christendom, is al door duizenden mensen ondertekend. U kunt het vinden op www.charterforcompassion.org)

2 gedachten over “Wat ons bindt. Erbarmen

  1. Mooi citaat van Adrienne Rich, die ga ik erin houden!!!!
    Ja, ik herken die gastvrijheid ook heel erg , bij mijn lief, die ook uit het Midden Oosten komt, maar wel weer Christen is, en het feit dat er voor de ouders gezorgd wordt.
    Zijn moeder wordt vertroetelt door een ongetrouwde zoon en een gescheiden [!] dochter.
    De gescheiden dochter moet regelmatig tegen de kerk [priesters=bemiddelaars] komen vertellen dat ze echt niet meer naar haar man terug wil [ hij gokt] en dat het niet onder invloed van haar broers is, maar dat ze dat helemaal zelf zo wil.
    Overeenkomsten en verschillen. Tussen ons en hen , tussen wij en zij en ja, waar is die grens?

Reacties zijn gesloten.