Niet later, maar nu, nu

poespoes-6.jpg
(Kobus)

Kadootje van Anne-Marie Mineur: de nieuwe inleiding bij het onovertroffen boekje van Rudy Kousbroek, de Aaaibaarheidsfactor. Beetje lang, dus voor de echte liefhebber. Een verhandeling over de vergankelijkheid en het houden van poezen.

Voorbericht bij de nieuwe, uitgebreide druk
‘Wanneer wordt het weer 1960? – Nooit’

Het mooiste gedeelte van Bébert, le chat de Louis-Ferdinand Céline,
door Frédéric Vitoux, is het katerntje met foto’s voorin.

Bébert, zo blijkt uit de foto’s, was een kat zoals Steinberg ze wel
heeft getekend: streng maar rechtvaardig, de beschermheer der vogels,
de terugbrenger van het propje, de bewaarder der muizen, die Wacht am
IJskast – trotse drager van het gestreepte uniform van maarschalk in
het poezenleger, machtig besnord maar met de suggestie van een weinig
militaire bereidheid om op zijn rug te gaan liggen teneinde zich de
buik te laten strelen.

Zuchtend van verliefdheid bekijk ik die foto’s. Wat is er toch aan
katten, dat zij in staat zijn om bij mensen dat eigenaardige gevoel van
bekoring en verlangen op te roepen? Is het erfelijk? Hoe lang bestaat
het al? In mijn somberste momenten denk ik wel eens aan al het spinnen
dat er, miljoenen jaren lang, door katten is gedaan terwijl er nog geen
mensen waren om er naar te luisteren. De natuur is vol verspilling.
Zo ook dat gevoel van verlangen. Waarnaar eigenlijk?

Ik denk naar de grote uiteindelijke communicatie. Het wegvallen van
alle obstakels die ons – katten en mensen – op het ogenblik nog
scheiden. Een gevoel van: éénmaal komt het ogenblik dat we het elkaar
allemaal zullen kunnen vertellen, zonder inspanning, zonder kans op
misverstand. Later, later.

Wanneer? Ik geloof dat we hier te maken hebben met een versie van wat
Donald Schon eens heeft omschreven als the stable state?.
‘Zo ver als mijn herinnering reikt’, aldus deze Schon, ‘heb ik altijd
geloofd in een hiernamaals tijdens mijn leven, een tijd van kalme
bestendigheid die bereikt zou worden na een periode van zorg en onrust.
Toen ik nog een kind was, bestond dat hiernamaals uit volwassen zijn.
Naarmate mijn jeugd verstreek werd de inhoud vager, maar de gedachte er
aan houdt koppig stand. Dit beeld van een hiernamaals tijdens het leven
zelf is een geloof aan wat ik zou willen noemen the stable state, de
staat van bestendigheid.’

Schon argumenteert dan verder dat het geloof aan zo’n bestendige staat
als het ware ingebouwd is onze sociale instellingen en in het begrip
van sociale verandering zelf: het streven naar -, en het anticiperen
van een stabiele eindtoestand. Die, zoals ik nauwelijks hoef op te
merken, niet bestaat. Ook daarover is van alles te zeggen, en dat doet
Schon dan ook, onder het kapittel ‘The Loss of the Stable State’; maar
waar het mij hier om is begonnen is wat er precies gebeurt op het punt
waar de inhoud van dat idee van een hiernamaals-tijdens-het-leven
‘vaag’ begint te worden, maar de gedachte er aan ‘toch koppig stand
houdt’.

Dat verschijnsel namelijk is mij verre van onbekend, als het tenminste
hetzelfde is waar Schon het over heeft: het gevoel dat ‘alles
provisorisch is’, dat alles wat gebeurt, maar ook alles wat ik doe en
onderga, ‘nog niet telt’ omdat het later opnieuw zal gebeuren, of beter
gezegd later pas echt zal gebeuren. Later, later.

De ontkenning daarvan heeft een eigenaardig effect op het herinneren.
Het lijkt op het doen van wetenschappelijke waarnemingen, met de
zekerheid dat men niet meer terug kan komen om het over te doen.
Rondlopen in Atlantis, een half uur voordat het zal worden verzwolgen.
Het rommelt al, maar de mensen weten nog van niets. Men kan ze niet
waarschuwen, men is alleen een onzichtbare waarnemer. Men maakt als een
gek aantekeningen – de taal, de architectuur, de flora, de fauna,
landbouw, veeteelt -, in de krankzinnige haast om zoveel mogelijk te
noteren gebruikt men allerlei afkortingen, steeds radicaler,
vertrouwend op het geheugen.

Het halve uur is voorbij, het land begint te kantelen als een immense
getorpedeerde oceaanstomer. Atlantis verzinkt. Het wordt donker, het
regent.

Thuis om de aantekeningen uit te werken: wat blijkt? Er is niets van te
begrijpen. Op het papier staan alleen maar raadselachtige afkortingen,
nooit zal ik weten wat ik er mee bedoelde. Mijn geheugen laat me in de
steek, ik heb niet goed gekeken, teveel aandacht besteed aan notities
maken, die notities, die ken ik van buiten, maar dat is nutteloos, daar
heb ik niets aan.

En dit hangt weer samen met iets, dat ik wel eens meer geprobeerd heb
te beschrijven: de sensatie dat mijn herinneringen niet meer verwijzen
naar voorvallen die ik zelf beleefd heb, maar het karakter hebben van
iets dat ik alleen maar weet: – van horen zeggen, van een beschrijving:
nauwkeuriger nog: van een deductie. Nemen we als voorbeeld een goede,
duidelijke herinnering – mijn dochtertje op die draaimolen op de
boulevard Brune, op haar verjaardag. Ik weet nog alles, ik weet nog
waar ze op zat: een langzaam rijzende en dalende zwaan van hout, met
een staak door zijn rug. Hoe ze keek. De februarizon. Dat ik er bij ben
geweest – het heeft het karakter van een logische conclusie. Het moet
wel, hoe weet ik anders al deze dingen. De gedachte: als ze later weer
zo op die draaimolen zit, dan moet ik kijken, kijken zoals ik nog nooit
heb gekeken, verslindend, zodat er alleen maar een donkere plek
overblijft.

Maar dat is het juist, ze zal er nooit meer zitten. Ik weet heel goed
dat het niet bestaat. Het is een andere manier om te zeggen dat ik niet
meer terug kan. Wanneer wordt het weer 1960 – Nooit – Q.E.D.
Het hiernamaals bestaat niet, de ‘stable state’ is een illusie, en het
met zoveel ongeduld verbeide ogenblik dat we elkaar eindelijk kunnen
vertellen hoe het was, in die tijd dat jij als kat vermomd was, en ik
als mens, dat ogenblik zal nooit aanbreken.

De vraag wat er met dieren gebeurde nadat zij gestorven waren, hield
mij op jeugdige leeftijd al bezig, en was een van de voornaamste
aanleidingen tot het bereiken dat de godsdienst een soort
Sinterklaasverhaal moest zijn. Ik denk dat van kerkelijke zijde ernstig
wordt onderschat welke indruk het op kinderen maakt dat dieren van het
hele sprookje buitengesloten zijn. Na dringend geïnformeerd te hebben,
en niet mis te duiden uitsluitsel te hebben gekregen, dat dieren geen
‘ziel’ hadden, dat men ze in het hiernamaals niet terug zou zien, en
dat er na hun dood niets van hun overbleef, werd ik overvallen door de
overweldigende zekerheid dat het met mensen niet anders kon zijn.
Het enige wat je kan doen, met dieren zowel als mensen, begreep ik toen
al, is naar ze kijken terwijl ze nog leven, naar ze kijken en ze tegen
je aan drukken, niet later, maar nu, nu.

Anne-Marie Mineur