Ouder worden voor beginners (2)


(Turner)

Een paar feiten en vooroordelen

In deze eerste aflevering wat feiten en vooroordelen. Ik haal die uit het boek van André Aleman, Het seniorenbrein. Ik ben niet zo’n geweldige fan van de gedachte ‘dat wij ons brein zijn’, zoals we terug kunnen vinden in de bestseller van Dick Swaab. We zijn méér dan ons brein. We zijn ook ons lichaam, we zijn ook onze ervaringen, we maken ook onderdeel uit van onze omgeving. Andere discussie. Maar er staan wat interessante zaken in.

Bijvoorbeeld:

1. Het is waar dat ons geheugen langzaam achteruitgaat. Maar: dat begint al op ons twintigste. We denken minder snel, en we hebben meer tijd nodig om iets nieuws te leren. De mensen die leerden rijden toen ze nog jong waren, en die meertalig zijn opgevoed hebben mazzel. Het kan, op hoge leeftijd een taal bijleren, maar het kost meer tijd. En we kennen dat wel: niet op een naam kunnen komen. We weten zeker dat die naam ergens in een laatje zit in onze hersens, maar we krijgen dat laatje niet open. Wel in de tram naar huis, floep, daar is’ie. De keerzijde is dat ouderen in verhouding (alles in verhouding!) minder gestrest en evenwichtiger zijn.

2. Je zou het misschien niet denken, maar zestigjarigen zijn gemiddeld gelukkiger dan de lui tussen de twintig en de veertig. Terugkijkend kunnen we misschien denken dat we toen nog zo gelukkig waren, met al die kansen en dat lijf zonder gebreken, maar dat is niet zoals we het ervaarden toen we nog jong waren. In ieder geval zijn ouderen minder onzeker over wat ze allemaal nog moeten bereiken.

3. Het ouder worden komt met gebreken, niks aan te doen. Nou ja, wel wat aan te doen, maar het gebeurt. Ogen en oren die achteruitgaan, knersende knieën, allemaal waar, maar jongeren zeuren meer over pijntjes dan ouderen. Ja, dementie. Dat is voor velen een angstbeeld, en redelijk reëel: van de 85-jarigen lijdt dertig procent aan een vorm van dementie.

4. Mensen boven de zeventig hebben een beetje meer kans op depressies. Vaak heeft dat te maken met het verlies van geliefden, waar we allemaal doorheen moeten. Sommige ouderen vragen zich af wat hun leven voor zin heeft. En kijk, tegen het verlies van geliefden kunnen we ons niet indekken, maar zingeving, daar zijn we zelf bij. Wel degelijk kunnen we daar wat aan doen.

5. Dat ouderen allemaal eenzaam zouden zijn is een mythe. Ja, het komt voor, bij een klein percentage mensen, die niet het vermogen hebben om een sociaal netwerk te onderhouden, en we komen ze tegen in verpleeghuizen die mensen niet meer stimuleren tot onafhankelijkheid – en dat wordt met de bezuinigingen niet beter. Maar de meeste mensen die nu oud zijn hebben wel een sociaal netwerk, en zijn ook op leeftijd nog geneigd om nieuwe contacten te maken waar oude wegvallen. Ook is het contact tussen ouders en kinderen verbeterd. In mijn ervaring leek de afstand tussen mijn generatie en die van mijn ouders wel een culturele kloof, en zo ervaar ik dat helemaal niet meer met mijn zoon. Ik heb in mijn vrienden en kennissenkring veel mensen die een stuk jonger zijn dan ik. Dat wederzijdse wantrouwen lijkt erg te zijn afgenomen.

6. En nog een paar oude beelden kloppen niet: ouderen zijn niet per definitie conservatiever dan jongeren. Ik denk tegenwoordig wel eens: integendeel. En dat ouderen geen seksuele wezens meer zijn, ook dat is een mythe.

7. Dit is een feit: mensen met een positievere kijk op het leven worden gemiddeld 7,5 jaar ouder. Dat is wetenschappelijk gezien een beetje een kip-en-ei-kwestie. Want heb je een positievere kijk op het leven omdat het erg goed met je gaat, qua gezondheid bijvoorbeeld, en leef je daarom langer? Wat was er eerst? Hoe dan ook, het is de moeite waard om te kijken of we zelf met het ouder worden wat positiever om kunnen gaan. Worden we er niet per se ouder van, dan hebben we het onderweg in ieder geval goed gehad.

Zo, dat hebben we dan weer gehad.
En nu gaan we het erover hebben hoe we leuk oud kunnen worden. In nog vele afleveringen. Zolang als ik ideeën heb en het leuk vind.

Ga door naar deel 3, hier