Over wit bondgenootschap in de antiracisme strijd

Zwarteschaap

Wat doen witten in de antiracismestrijd? Wat kunnen we doen?

In de tijd van de vrouwenbeweging, lang geleden, maakte ik het vaak mee dat een man zei: ‘prima als vrouwen emanciperen, als ik er maar geen last van heb’. Het duurde even voor we tot ons door lieten dringen dat wij als vrouwen met onze beweging wel een heel eind kwamen, maar dat er uiteindelijk niet genoeg zou veranderen als de mannenkant niet ook in beweging kwam. Mannen waren tenslotte, vanuit de vrouwen bekeken, het probleem. De vraag was of en hoe je mannen in beweging kon krijgen om een deel van de oplossing te worden. Inmiddels zijn er mannen die daar mee bezig zijn, niet alleen om solidair te zijn met vrouwen, maar vooral omdat ze hebben begrepen dat ‘gendergelijkheid’ uiteindelijk ook in hun voordeel is. Juist dat laatste maakt het samenwerken met mannen tegenwoordig een plezier. We erkennen dat we elk een eigen stuk van het proces moeten afleggen, maar ook dat er activiteiten zijn waarbij we elkaar kunnen tegenkomen, want uiteindelijk hebben we wel hetzelfde doel.

Wie zijn het probleem als we het hebben over racisme? Wit is het probleem. Het zou een goede opdracht zijn om na te gaan hoe we witte mensen zo ver kunnen krijgen om een deel van de oplossing te worden in plaats van een deel van het probleem te blijven. Dus zou het iets zijn om over na te denken welke rol die witte mensen zouden kunnen spelen bij de antiracistische beweging die de afgelopen jaren zo fantastisch aan een heropleving is begonnen. Witte mensen kunnen daarbij een bescheiden rol spelen, maar volgens mij wel een belangrijke. Alleen, dat gaat niet zomaar. Daar moet over na worden gedacht, want alleen maar roepen ‘ik ben tegen racisme dus ik ben in orde’ is niet voldoende.

Ik zie twee niveau’s, als eerste wit bondgenootschap, hoe doe je dat? En als tweede, hoe zetten we het massale bewustwordingsproces in gang dat in Nederland nodig is? Want dit constateren we: de meeste witte mensen, ook zij die zich progressief noemen, hebben geen idee. Ze weten niets van white supremacy, van white privilege, ze denken vaak nog dat ‘kleurenblind’ zijn een goede zaak is. In de VS, waar de slavernij moeilijker te ontkennen is omdat het zich in eigen land afspeelde, en niet zoals onder het Nederlandse kolonialisme grotendeels ver weg zijn ze verder dan wij hier. (Vandaar dat we nog zitten met engelse termen en onze eigen taal moeten vinden om hier uit te leggen waar het om gaat)

Bondgenoot worden. Om te beginnen moet het duidelijk zijn dat wij als witten een bescheiden rol spelen. Zwarte mensen zetten hun eigen beweging op poten, stellen hun eigen doelen, doen zelf het woord en geven de leiding niet uit handen. Een deel van de activiteiten zal duidelijk zonder witten plaatsvinden, en zo hoort dat. Ook in de vrouwenbeweging vonden we het belangrijk om voor onze eigen bewustwording en empowerment onder elkaar te zijn, ook voor het afleggen van de beschadiging die je hebt opgelopen als je in een ondergeschikte en benauwende rol bent groot geworden. Aan veel onderwerpen, pijnlijke onderwerpen, zouden we nooit toe zijn gekomen als er mannen bij waren geweest.

Dit is dus de eerste les voor witten die mee willen werken: bescheidenheid. Luisteren vooral. Leren, lezen, geïnformeerd raken, je inleven. Niet te snel denken dat je het beter weet. Een stap opzij maken om zwarte mensen aan het woord te laten. Tegen kritiek kunnen, want die krijg je. Niet gekwetst zijn als je ergens niet aan mee mag doen, en niet in het middelpunt staat van de belangstelling.

In het streven naar effectieve samenwerking hebben wit en zwart een ander proces door te maken. Ik heb in het verleden veel met ‘bondgenotengroepen’ gewerkt, aan de witte kant. Ik heb meegemaakt dat witte mensen die zich serieus in willen zetten voor een rechtvaardiger, dus racismevrije samenleving, een aantal fasen door kunnen maken. Schaamte bijvoorbeeld, bij het besef van hoe racistisch we opgevoed zijn, als we de ontkenning eenmaal voorbij zijn. Bang om het verkeerd te doen en dan maar liever niets doen. Hunkeren naar goedkeuring door zwarte mensen. Eigenlijk dankbaarheid verwachten. Afhaken wanneer we een keer een bak woede over ons heen krijgen. Gekwetst zijn wanneer er een keer in het algemeen onaardige dingen over witte mensen worden gezegd. Idealiseren van zwarte mensen en dan teleurgesteld zijn als zij niet aan dat ideaalbeeld voldoen. Of zoals nieuwe bekeerlingen dat vaak doen: nog veel strenger zijn tegenover andere witte mensen dan de leiders van de zwarte beweging. Enzovoort.

Kortom: mijn ervaring is dat het heel goed is voor witten die solidair willen zijn, om je eigen steungroep te hebben waar je kunt werken aan je eigen bewustwording zonder daar voortdurend zwarte mensen mee lastig te vallen, en een plek te hebben waar je eerlijk uit kunt komen voor alle gevoelens die je onderweg tegenkomt. Durf je van mening te verschillen met iemand die zwart is, durf je ruzie te riskeren? Wanneer wel en wanneer niet? Waar betrap je jezelf op oude denkbeelden?

Zo deden wij dat destijds in de bondgenotengroepen, we werkten een deel van de tijd los van elkaar, en kwamen dan af en toe bij elkaar om uit te wisselen wat we belangrijk vonden dat de andere groep moest weten. Want dit was een vraag voor de zwarte groep: wil je wel samenwerken? Wanneer wel, wanneer niet? Wat verwacht je van witte mensen? Aan de zwarte kant was er veel ruimte om eerlijk te kunnen uitwisselen welke teleurstellingen iedereen had opgelopen in confrontaties met witte mensen. Was er nog ruimte voor vertrouwen en wat was daar voor nodig?

Zulke vormen van werken aan bondgenootschap zijn niet meer dan een begeleidend proces voor het echte werk. Maar in mijn ervaring waren die wel belangrijk, om er voor te zorgen dat mensen niet afhaakten, er geen overbodige ruzies en misverstanden ontstonden. Noem het maar safe places.

Dan het volgende niveau. Op welke manier kunnen witte mensen bijdragen aan de bewustwording van wit. Niet zo makkelijk en ook niet altijd zo leuk. Ik vind het veel bevredigender om samen met zwarte mensen een bijeenkomst bij te wonen, mee te demonstreren, dan om de confrontatie aan te gaan met mensen die er echt nog niks van snappen. Als het aan mij ligt ontwijk ik die liever. Toch is dat een belangrijke taak.

Een van de eerste dingen die witte mensen hier moeten leren is dat ze niet zo beledigd moeten zijn wanneer ze het gevoel krijgen dat ze voor racist worden uitgemaakt. Mijn manier om dat in witte groepen aan de orde te stellen is het heel gewoon maken dat je een klap van de molen hebt gekregen wanneer je in een racistische samenleving bent opgegroeid. Ik geef gewoon toe dat ik met slimme witte Sjors en grappige domme krompratende Sjimmie ben opgevoed, en dat mij dat beïnvloed heeft. Zoals Gloria Wekker dat zo mooi zei: ‘hoe komen mensen er hier bij om te denken dat eeuwen kolonialisme géén invloed op hun denken zou hebben?’ Dit is wat ik probeer te doen: dat we er aan de ene kant niet zo zwaar aan moeten tillen dat we nu eenmaal in een racistische omgeving zijn opgevoed en daar dus de sporen van met ons meedragen, maar dat we er wel serieus wat aan moeten doen. We kunnen wat bijleren, tenslotte, daar worden we niet slechter van. Net zoals mannen er bepaald niet slechter van zijn geworden toen ze zich bewust werden van genderongelijkheid, en ook, hoe beschadigend een overdreven mannelijkheidscultuur ook voor mannen zelf is. Ik kan met de hand op mijn hart verklaren dat mijn leven er leuker en waardevoller van is geworden dat ik zoveel verschillende mensen in mijn omgeving heb, en hoe ik er van kan genieten om van hen zoveel waardevols bij te leren. Ik zou willen dat witte mensen begrepen dat de hamvraag niet is of ze racistisch zijn of niet – natuurlijk zijn ze dat als ze in Nederland zijn opgegroeid – maar de vraag of ze deel willen uitmaken van de oplossing in plaats van deel te blijven van het probleem.

Waarmee niet gezegd is dat het altijd eenvoudig is. Wie haar (of zijn) nek uitsteekt krijgt ook op haar donder. Ik waardeer het dat mensen als Sunny Bergman, Asha ten Broeke en Simone van Saarloos hun antiracistische werk serieus nemen, en zich er persoonlijk in gooien. Het komt ze op veel haat van wit rechts te staan, maar soms ook op kritiek van zwart die het niet vertrouwt, en denkt dat ze dat doen om te ‘shinen’, om de ‘white saviour’ uit te hangen. Wie als witte haar nek uitsteekt moet wel stevig in haar schoenen staan, en kunnen rekenen op achterban, zowel bij zwart als bij witte bondgenoten. En blijven nadenken: is dit echt mijn taak, of moet ik dit aan zwarten overlaten?

Het ontwikkelen van strategieën om witte mensen te bereiken, ‘om te turnen’ zeiden we vroeger, staat nog in de kinderschoenen. Het hangt er ook vanaf over wie we het hebben. Ik herinner me de professor die net een paar buitengewoon neerbuigende opmerkingen had gemaakt over de Zwarte Piet beweging, en woedend werd op mij omdat ik me hardop afvroeg of hij als witte man daar wel over kon oordelen. ‘Jij spreekt mij aan op mijn huidskleur, dus jij bent hier de racist’ beet hij me toe. Dat kwam dus niet meer goed. Mijn ervaring is dat het niet alleen de ‘echte’, openlijke racisten zijn die komen schreeuwen tijdens demonstraties die moeilijk te bereiken zijn, maar juist de witte mannen die zichzelf zo progressief vinden, die er niet tegen kunnen dat ze kritiek krijgen en gedwongen worden wat meer aan zelf reflectie te doen.

Hier valt dus nog veel over uit te zoeken en te zeggen. Dat ga ik niet alleen doen. Het lijkt me een mooie klus om gezamenlijk aan te werken, om mensen (w/z) bij uit te nodigen die hun ervaring met ons willen delen. Maar ik zou het gesprek over de rol, de bijdrage van witte mensen bij de antiracistische strijd, graag willen openen. Ik zou behalve hier met witten mensen over te spreken ook graag in gesprek willen met zwarte mensen over wat onze bijdrage zou kunnen zijn. Hoe we betrouwbare bondgenoten kunnen worden. Dus dank je wel, Mitchell Esajas.

PS. Ik heb hier wel meer over geschreven. Lees ‘Over bondgenootschap’, hier. Lees bijvoorbeeld ‘Witmans heeft het maar moeilijk’, hier. En ‘Witmens heeft het maar moeilijk’ (2), hier