Mijn jaren zeventig

Er wordt veel gesputterd over de jaren zeventig. Vooral door rechts. Mijn jaren zeventig waren een vormende en belangrijke tijd. Ik heb weinig reden om me daar nu tegen af te zetten. Dit stuk schreef ik een tijd geleden. Ik heb het hier en daar gecorrigeerd en geactualiseerd.

Het begin, althans voor mij: de democratiseringsgolf aan de Sociale Akademie, eind jaren zestig. Nergens beschreven, want we waren geen ‘echte’ studenten, en dus geen deel van de studentenbeweging. Ik deed stage bij de werkende jongeren. Wat ik er uit meenam: hoe belangrijk het is om niet over mensen te praten maar met hen. Het ging over de mondigheid van de cliënten van hulpverlening en welzijnswerk, het ging over solidariteit en engagement. Het welzijnswerk is erg uit de mode. Toch zie ik hen nog steeds als de frontlinie in het buurtwerk, in de hulpverlening aan groepen die in de knel zitten, migranten en ‘gevestigden’ in oude wijken, opbouwwerk met jongeren en ouderen, vluchtelingen, asielzoekers. Het thema van toen, de politisering van het welzijnswerk, niet alleen liefdadigheid maar structurele verandering, actueler dan ooit.

Mijn eerste scholingsgroepjes. Las Marx. Een geweldige eyeopener. Over uitbuiting. Ook over de uitbuiting van ‘de derde wereld’, onze vroegere koloniën. Hoe je bij grote maatschappelijke problemen altijd moet kijken hoe dat economisch in elkaar zit. Wie zijn de belanghebbers? De socialistische heilsstaat is niet gekomen. Ik had daar toen al zo mijn twijfels bij, want ook in de socialistische landen waar we toen naar keken was er maar sprake van een halve revolutie. Zeker voor vrouwen. Maar dat we de wereld van nu alleen kunnen begrijpen als we naar de economische belangen kijken: dat ben ik nooit vergeten en is akelig actueel. Zeg olie, en veel wordt opeens duidelijk.

Antiracisme. Ik was lid van het solidariteitscomité met de Black Panthers in de VS. Begin van mijn bewustwording over racisme, al vonden we het toen nog heel gewoon dat er alleen maar witte mensen in het comité zaten. Vandaaruit kwam ik ook in aanraking met Surinamers in Nederland. Mijn eerste kennismaking met racisme hier. Nooit meer vergeten. En de solidariteit met een volk elders: direkte lijn naar mijn werk in de Gazastrook.

Ik was actief lid van de jongerengroep in de NVSH, toen nog spraakmakend en opkomend voor een vrijere seksualiteit. Daarbinnen had ik het over vrouwen. De seksuele revolutie was dubbelzinnig. Aan de ene kant waren het juist ook vrouwen die opkwamen voor hun vrijheid, zeker toen de pil was uitgevonden en ook abortus gelegaliseerd, aan de andere kant werd diezelfde seksuele revolutie door de mannen van toen vaak gebruikt om vrouwen onder druk te zetten. Een van mijn eerste artikeltjes heette tussen slet en trut. Boodschap: het gaat niet alleen om het recht om ja te zeggen maar ook om nee te zeggen. Ik schreef voor Sekstant en bleek achteraf een fikse ruzie veroorzaakt te hebben in het bestuur van de NVSH. Maar kijk: opeens bleek Sekstant in plaats van een mannenblaadje ook door vrouwen gelezen te worden.

Later schreef ik Voor Onszelf, het eerste boek over seksualiteit van vrouwen dat uit ging van onze ervaringen, in plaats van ons voor te schrijven hoe we het doen moesten. Nu staan alle damesbladen vol met de informatie die toen nog bijna clandestien was. Maar of nu alle vrouwen alleen maar geheel vrijwillig aan seks doen?

En daar achter aan. Geweld in persoonlijke relaties als thema. Niemand geloofde toen hoe erg het was en als mishandelde vrouw, ik was daar in de jaren zestig een van, kon je nergens heen. De eerste gekraakte Blijf van m’n Lijfhuizen liepen meteen vol. Dat was het begin van een grote bewustwordingsgolf over het voorkomen van mishandeling en seksueel misbruik. Sindsdien heeft de overheid het overgenomen, is er onderzoek gedaan, wordt de politie getraind om het serieus te nemen, zijn er subsidies, hoewel nog steeds te kleine, voor opvang en hulpverlening. En het thema blijft actueel, nu duidelijk is dat geweld en seksuele intimidatie nog steeds even erg zijn als een halve eeuw geleden. En dat het niet genoeg is om slachtoffers op te vangen maar dat we het ook over de daders moeten hebben. En over hoe het komt dat er nog steeds zoveel mannen zijn die het gewoon vinden om vrouwen als gebruiksvoorwerpen te behandelen.

De eerste door de overheid erkende opleiding voor vrouwenhulpverlening, de VO. Ik gaf er les, vormde de opleiding mee. Vandaaruit kwam de grote mars door de hulpverleningsinstanties. Ik stelde later een reeks boeken samen over gender, psychologie en hulpverlening. Ik gaf er nog lang lezingen en les over, bij gevestigde instellingen. Vrouwenhulpverlening als aparte poot is nauwelijks meer zichtbaar, maar de gedachten er achter zijn gemeengoed geworden.

De praatgroepen. Het besef dat het belangrijk was om onze eigen agenda te maken en die niet op te laten dringen door de toen nog het hoogste woord voerende mannen in MVM en Dolle Mina, toen nog gemengde organisaties. De gedachte er achter is nog actueel: groepen in achtergestelde posities hebben het nodig om eerst enige saamhorigheid te kweken, hun eigen agenda te trekken, in zelforganisatie een eigen kader te vormen. Zie ik nu gebeuren bij mensen met een migrantenachtergrond, mensen die zwart, bruin en/of moslim zijn. Met name vooral ook de vrouwen. Ik weet dus waarom je zelforganisatie niet over kunt slaan. En waarom ervaringsdeskundigheid zo belangrijk is. Waarom zelforganisatie, desnoods in de vorm van een eigen zuil, de opstap is naar politieke verantwoordelijkheid.

Meerdere therapie achtige, noem het maar op persoonlijke ontwikkeling gerichte stromingen. Het co-counselen. Een beetje sectarisch, maar nooit spijt van gehad. De notie dat je zelf het instrument bent waarmee je moet werken. Dat instrument moet je onderhouden, koesteren, scherp houden. Zonder jezelf te kennen, je eigen makkes, de blinde vlekken, kun je niet goed werken met anderen, geen leiding geven, gaan er dingen mis – te veel ego. Ik moet nog steeds om de zoveel tijd een duizend kilometer beurt. Doe ik mezelf weer in een training, in coaching. Ik zie de mensen waarvan ik zou willen dat ze dat ook deden. De notie, dat eigen groei belangrijk is, komt regelrecht uit de jaren zeventig. Voor mij nooit weg geweest.

De veelkleurige, diverse vrouwenbeweging van toen, het was ook een ongelooflijke kweekvijver voor nog onontgonnen talent. Ik begon te schrijven. En les te geven. Vele van de pioniers van toen ontdekten wat ze konden, ik kom ze nog tegen, en velen van hen zijn pioniers en koplopers gebleven, soms op een ander of aanverwant terrein. Maar wel met een paar basale gedeelde ervaringen waaraan we elkaar nog steeds kunnen herkennen.

Ik studeerde sociale wetenschappen. Dat wil zeggen, andragologie. Het bestaat niet meer. Een geëngageerde studie. De link tussen psychologie en sociologie, tussen individu en maatschappij, en dan toegepast op veranderingsprocessen. Paste me als een handschoen. Toen ik afstudeerde lazen de eerstejaars net mijn artikelen. De achterliggende manier van kijken naar de realiteit, de wisselwerking tussen wat er met individuen en politieke stromingen gebeurt, ik zou willen dat meer opiniemakers, politici, denkers, zo keken naar de realiteit van nu. Hoe je de angst van mensen op kunt roepen, kunt manipuleren, daarmee een toestand kunt creeëren die exact dat is waar je de mensen bang kunt maken. Zonder dat kunnen we de verrechtsing niet begrijpen.

Tegelijk was er ook de ontdekking dat vrouwen een veel te grote groep zijn om onder één noemer te vangen. Dus werd de uitdaging om een theorie te ontwerpen die ruimte liet voor meer verschillen, die tussen vrouwen en mannen, tussen klassen, tussen etniciteiten en culturele achtergronden. Ik schreef er een boek over, De ziekte bestrijden, niet de patient. Het taalgebruik is typisch van toen, de inhoud kan met enige herziening zo weer ingezet worden in de huidige tijd. Nu heet dat ‘intersectionaliteit’, maar de aanzetten daartoe waren er al. De lessen van toen: emancipatie kan niet van bovenaf worden geregeld, hoogstens gestimuleerd. Emancipatie begint waar vrouwen zelf zijn. En de volgende stap voorwaarts bepalen ze zelf. En er zijn vele wegen die leiden naar Rome. Of naar Mekka. Er zijn dus ook verschillende feminismes. Waren er toen al.

Mannen. Ik heb mannen nooit opgegeven, al was ik behoorlijk kritisch over het gemiddelde mannengedrag. Ik heb altijd gedacht, en denk dat nog, dat ook mannen er baat bij hebben om zich niet te laten ringeloren door de veel te strakke gendervoorschriften. De akelige en zowel voor mannen als vrouwen schadelijke druk om een ‘echte’ man te moeten zijn. Ik schreef in de jaren zeventig mij eerste boek over mannen, met interviews. Mannen, wat is er met jullie gebeurd?. Kreeg ik veel kritiek op vanuit het strengere deel van de vrouwenbeweging, maar ik ben ook over mannen en mannelijkheid blijven schrijven. Toen dacht ik nog dat je alleen feminist kon zijn als je de ervaringen had van een vrouw. Tegenwoordig ben ik blij met mannen die zich feminist noemen.

Dwarsverbindingen. Coalities. Conflicten. Het besef dat je nooit één thema kon isoleren. Zette alleen vrouwen bij elkaar en wat werd het meeste duidelijk? De onderlinge verschillen. Homobeweging. Onze natuurlijke bondgenoot. Tegelijk net zo goed door mannen gedomineerd. Toch toenadering. Ik dacht toen: wie één vorm van onderdrukking echt goed begrijpt, compleet met wat we toen ‘geïnternaliseerde onderdrukking’ noemden, die snapt alle vormen van achterstelling, uitsluiting en discriminatie, en die zal daar zelf nooit meer aan meedoen. Dat was mijn enige echte grote vergissing, denk ik nu. Te zien aan het feit dat sommige mensen die vroeger voor progressief doorgingen nu een stuitend gebrek aan besef hebben over de groeiende islamofobie. Dat we weer uit moeten leggen dat je dit toch echt racisme moet noemen. Net als in de jaren zeventig.

Praktische politiek. Ik deed mee aan de Bloemenhove bezetting. De strijd om de legalisering van abortus werd gewonnen. Het was een voorbeeld dat me later nog vaak van pas kwam in discussies over buitenparlementaire actie versus deelnemen aan de macht. Bloemenhove was destijds succesvol omdat er sprake was van een breed scala aan directe actie, mobilisatie van mensen zelf, een actiegroep Wij Vrouwen Eisen, vrouwengroepen binnen de partijen, een lobby. Ingezet op alle niveaus’, in samenwerking. Dat deed het. Blijft actueel, ook binnen linkse partijen die als het goed is een voet hebben in de bevolking, de wijken, de acties en een voet in het parlement en in de gemeenteraden.

De internationale kant van de vrouwenbeweging. Het is volstrekt vanzelfsprekend voor me geworden om verder te kijken dan ons eigen landje. Om me verbonden te weten met vrouwen elders. Waar vrouwen achtergesteld blijven en te weinig zeggenschap hebben over hun vruchtbaarheid krijgen ze te veel kinderen, is er armoede, kunnen ze hun kinderen niet goed genoeg begeleiden. Later kwam Palestina, begin jaren negentig, om nooit meer weg te gaan. Opnieuw een bewustwordingsproces. Hoe ook ik gebrainwasht was om automatisch achter Israël te staan, uit een verkeerd begrepen loyaliteit aan wat de joden was aangedaan.

De verschillen tussen mensen: ik zat in bondgenotengroepen. Als niet-jodin met een groep joodse vrouwen. Als witte met een groep zwarte vrouwen. De notie dat er sprake moet zijn van een wederzijds proces, maar dat tegelijk het proces aan beide kanten niet hetzelfde is. Tegenwoordig lijkt de regering de integratie vooral op te vatten als ‘zij’ moeten zich maar aanpassen aan ‘ons’ . We kunnen zo weer opnieuw beginnen: integratie is altijd een tweerichtingsverkeer, ook de gevestigden hebben werk aan de winkel en daar worden ze helemaal niet slechter van.

Ik kan nog wel even zo doorgaan, denk ik. De Nederlandse vrouwenbeweging is weggeëbt, maar alles wat ik toen leerde nam ik mee naar de trainingen die ik gaf rondom geweld in de landen van het voormalige Joegoslavië. En in Zuid Afrika. Die eerste noties, dat het belangrijk is om niet alleen met slachtoffers maar ook met daders te werken, die zijn nu gemeengoed geworden. Er is ook veel meer oog voor de traumatische kanten van oorlogssituaties. En de positie van vrouwen daarin. Het werken van toen, met diversiteit, komt me nu erg van pas in het werken met Palestijnen, en ook in het leggen van kontakten met de moslimgemeenschappen in Nederland. Ik ben niet zo bang voor wat anders is. Ik laat me niet zo makkelijk intimideren. Het kan me ook helemaal geen bal schelen of iets ‘politiek correct’ is of niet.

En grote ergernis over de lui die nu doen alsof al die verworvenheden, die inzichten, die emancipatieprocessen een gevolg zijn van ‘de verlichting’. Dat komt neer op vulgaire diefstal, op platte geschiedsvervalsing. Zoals het feminisme bijvoorbeeld wordt misbruikt. Opeens blijken de mannen (en vrouwen) die vroeger geen poot uitstoken erg begaan met het lot van die arme onderdrukte moslimvrouwen – maar niet heus. Want ze kennen ze niet eens. Anders zouden ze weten dat een groot deel van hen al midden in een emancipatieproces zitten. En zouden ze misschien begrijpen dat deze nieuwe emancipatiegolf op twee fronten moet vechten, voor hun rechten als vrouwen, ook binnen de eigen gemeenschappen, en tegen de toegenomen neiging om alle moslims over één kam te scheren en voor achterlijk uit te maken. Dubbele loyaliteiten, een dubbele strijd, daar had ik het vroeger al over.

Natuurlijk kan ik ook nog wel een lijstje maken van wat er niet zo geweldig was. Ik zie ook de te grote overmoed van toen, het te grote geloof in de maakbaarheid van de wereld, die nu merkwaardig genoeg overgenomen lijkt door rechts. Ik zie ook dat de bewegingen van toen hun uitwassen hadden. Hun lunatic fringe. Toen al had ik ruzie met de extreme kampen binnen de vrouwenbeweging die vonden dat lesbisch worden je politieke plicht was, of die zo tegen mannen waren dat er geen enkele andere strategie meer mogelijk leek dan alle mannen verbannen naar Rottumeroog en daar een groot hek omheen bouwen. Ik had ook ruzie met (mannelijk) links, die alleen keek naar de antikapitalistische strijd en te weinig oog had voor vrouwen, voor zwarten, voor migranten. Kan ik nu wel weer herhalen. De tijden zijn veranderd. Het activisme en extremisme lijkt nu meer van rechts te komen. Mochten wij, van links, ooit een grote bek gehad hebben, nu komt het geschreeuw ontegenzeggelijk van de andere kant, de betweterigheid, de simpele oneliners, de ‘we zullen jou wel eens even zeggen hoe het zit’.

Maar in mijn eigen leven vertonen de hoofdlijnen geen breuken maar ervaar ik ze meer als een gestadige verdere ontwikkeling. Steeds weer opnieuw vanuit die ervaringen zoeken naar adequate antwoorden voor nu. Soms met meer accent op het ene dan op het andere grote thema. Op vrouwen was ik een tijd uitgekeken omdat ik er geen enkele nieuwe gedachte meer over had. Dat moet de generatie na mij maar op hun eigen manier gaan doen, dacht ik. Nu komt het weer terug met de ‘derde feministische golf’, nee, niet die van Hirsi Ali. De echte, van de vrouwen zelf. Ik heb opnieuw de behoefte me als bondgenote in te zetten. Mijn socialisme kwam weer terug, ik was jaren actief in de SP, nu in de nieuwe partij BIJ1: voor radicale gelijkwaardigheid en economische rechtvaardigheid. Over klasse zouden we het weer opnieuw moeten hebben, nu de groep mensen die geen deel hebben aan de welvaart weer toeneemt. De harteloze kreet ‘eigen verantwoordelijkheid’ van dit kabinet, wat neer komt op: bekijk het maar- als het met jou niet goed gaat is dat onze schuld niet. Daar wil ik graag het ouderwetse begrip solidariteit weer tegenover zetten. Desnoods als christelijke waarde. We zijn wel degelijk ons broeders hoeder. Het harteloze etnocentrisme, het haast provinciale bekrompen nationalisme, van eigen soort eerst. Het uitzettingsbeleid, gebruik makend van de angst voor moslims. De labbekakkerigheid van de regering als het gaat om om Palestina. De niet te vreten politiek van Trump. Gebruik makend van alweer, de angst voor moslims. Dat alles, daar moet nog veel meer tegengeluid tegenaan.

Ik heb geen enkele behoefte om me af te zetten tegen het feminisme van toen, tegen het antiracisme van toen, tegen het socialisme van toen, tegen het welzijnswerk van toen. Ik neem zelfs de uitwassen mee voor wat ze waren. Geen beweging zonder. En ik ben al helemaal niet bereid om me waar dan ook voor te verontschuldigen. Integendeel. Ik denk dat de erfenis van de jaren zeventig exact is wat we nu het meeste nodig hebben. Maar dan vertaald naar nu.