Gaza 3. Perspectief

Ik was eerst niet van plan om mee te gaan naar Gaza. Ik liet me overhalen. Mijn mede Kifaianen wisten het wel van me: dat ik er nogal doorheen zat. Na meer dan twintig jaar werken met en voor Gaza moest ik constateren dat het daar alleen maar erger was geworden. Het kwam vooral door de moedeloosheid in Gaza zelf, na de grote aanval van 2014. Voor kinderen die ouder waren dan acht al hun derde oorlog. We gingen erheen, vlak erna, en we troffen mensen aan die – ik heb er geen ander woord voor – gebroken waren. ‘We all lost our soul’ zei een jonge man, die we interviewden voor de film die we maakten, een film vol puinhopen. Platgebombardeerde flatgebouwen, scholen, ziekenhuizen. Een hele woonwijk weg.

Bijna iedereen die we spraken zei dat ze weg wilden, of in ieder geval hun kinderen Gaza uit wilden hebben. Van mijn vrienden zijn de meeste van hun kinderen met veel moeite vertrokken, wetende dat het onwaarschijnlijk is dat ze nog terug kunnen komen. Ze zitten in Istanboel, Cairo, Brussel, de VS. Mijn vriendin in Gaza, die al vijf van haar zes kinderen heeft geholpen om weg te komen zei dat ze liever had dat ze ze nooit meer zou zien, dan dat ze na de volgende oorlog een kind zou moeten begraven. Hun moedeloosheid en wanhoop waren besmettelijk. Ik kreeg er ook last van. Het is niet langer kwart voor twaalf, zei ik bij een van mijn laatste lezingen. Het is kwart over. Gaza gaat kapot.

Het is niet dat ik Gaza ooit in de steek zou laten. Op zijn allerminst moesten we blijven helpen om te overleven. Maar met mijn lezingen ging het niet goed. Ik kon het geduld niet meer opbrengen voor opmerkingen uit het publiek volgens de bekende cliché’s: waar er twee vechten hebben er twee schuld, en we moeten toch vooral alles van beide kanten bekijken. Alsof ik na zoveel jaren ook de ‘andere kant’ bekijken niet zou mogen beslissen waar ik sta. Aan de kant van de gerechtigheid. Niet aan de kant van de oorlogsmisdaden. Ook een bekende uitspraak: je kunt toch niet Israël van alles de schuld geven? Nou toevallig heb ik daar geen enkele moeite mee. Ik zou er ook geen moeite mee gehad hebben bij de Duitse bezetting van Nederland om de schuldige aan te wijzen. Dit was het probleem: het was Israël, en het zionisme, dat deze onzalige toestand heeft gecreëerd. Gewoon. Historisch aantoonbaar. Nee, niet dat alle Palestijnen engelen zijn, en nee niet dat ik dikke vrienden met Hamas zou worden, en nee, niet dat ze nooit fouten maken, maar waar het om ging was nog steeds het zionisme, en de nu al zo lang durende en behoorlijk geslaagde pogingen van Israël om steeds meer land te veroveren en de Palestijnen op steeds kleiner gebied opeen te drijven. En van Gaza de grootste openluchtgevangenis ter wereld te maken. Met het geld van de VS en de zwijgende instemming van Europa. Je kan geheel onder ogen zien dat de joden in Europa onbeschrijflijk hebben geleden. Dat is nog geen reden om nu slachtoffers te maken van de Palestijnen, die tenslotte geen enkel aandeel hadden in de jodenvervolging in Europa.

Ik kon er niet meer tegen dat zoveel mensen dat nog steeds niet willen weten. Behalve dat was mijn moedeloosheid ook besmettelijk. Dan moest ik de vraag beantwoorden wat voor oplossing ik zag. Nou, geen, eigenlijk, moest ik zeggen als ik eerlijk was. En wat de mensen doen konden? Ook daar kon ik niet echt overtuigend antwoord meer geven, behalve dat geld altijd welkom was. Om onze mensen daar te laten overleven.

Mijn mede Kifaianen begrepen het wel. Ik liet de lezingen voorlopig aan hen over, want je hebt er niets aan als iedereen depressief naar huis gaat, en nee, natuurlijk werkten we door.

Ik was dus drie jaar niet in Gaza geweest, terwijl ik vroeger elk jaar ging, soms twee of drie keer. Maar het werd weer tijd. Ik was nieuwsgierig wat ik aan zou treffen en ook wel naar mijn eigen reactie.

Twee dingen vielen me de eerste dag al op. Aan de ene kant zag ik dat alle puin van 2014 nu was opgeruimd, en op veel van de leeg gevallen plaatsen nieuwe flatgebouwen waren verrezen. En twee enorme gloednieuwe moskeeën. Ging het dan toch beter? Tegelijk zag ik aan kleine dingen dat de armoede behoorlijk was toegenomen. Terwijl ik jarenlang al die werkloze mannen op straat zag kettingroken zag ik niemand meer met een sigaret in de hand. En het bedelen, in Gaza geldend als zeer oneervol, was heel erg toegenomen. Ik had van mijn ex altijd geleerd dat je wel geld mocht geven aan de jongens die wat verkochten, zakdoekjes, kauwgum, sigaretten, want die ‘werkten’, maar dat je nooit geld mocht geven aan mensen die openlijk bedelden. Maar hier kwam een man op ons af in een ezelskar, waarop een paar kinderen, en zei ons dat hij geld nodig had omdat hij zijn kinderen niet te eten kon geven. En toen een van ons hem een munt gaf van tien sjekel ( twee vijftig) raakte hij bijna slaags met een andere man die ook geld wilde. Dat had ik nog niet eerder meegemaakt. Maar al die nieuwe gebouwen dan?

Ik vroeg het aan onze vrienden. Ja, zeiden die, de armoede is erg toegenomen. De meeste mannen zijn opgehouden met roken. Sigaretten koop je nog per stuk. Niet per pakje. Maar er zijn ook mensen rijk geworden aan de handel, toen dat nog kon, en het enige waar die hun geld in kunnen investeren is bouwen. Alleen: er zijn te weinig mensen die zo’n flat kunnen kopen of huren, en driekwart ervan staat leeg. Heel wat van die ondernemers zijn nu failliet. Het zag er dus mooier uit dan het was. In een behoorlijk sjieke supermarkt waar we voor Glenn een tandenborstel gingen kopen kon je wel tussen tien tandenborstels kiezen. Er waren alleen behalve wij geen klanten.

En toch was de sfeer erg veranderd. Die akelige grauwsluier van depressiviteit leek weg te zijn. Kwam dat door de nieuwe opstandigheid, de jeugd die elke week deelnam aan de Great March of Return? Het leek er wel op. En niet alleen dat, de opstandigheid keerde zich ook tegen Hamas, die teveel geld stak in zaken waar alleen hun eigen mensen wat aan hadden. En geld lieten komen uit Qatar om die nieuwe moskeeën mee te bouwen terwijl er zoveel mensen hutje mutje met het hele gezin op één of twee kamertjes zaten en te weinig geld hadden om drinkbaar water te kopen. De demonstraties van de jongeren worden hardhandig uit elkaar geslagen, er werden jongeren in de gevangenis gegooid, maar die toch door bleven gaan. Ik vroeg het aan Brechtje, die er een jaar geleden nog was, voordat de grote demonstraties begonnen. Ja zij voelde het ook. De jongeren hadden hun strijdvaardigheid weer terug, en waren kwaad. En radicaliseerden, want het ging niet meer alleen over het opheffen van de blokkade. Ze wilden hun land terug. Waar hun ouders in de Oslo-tijd nog gedacht hadden dat er met een concessie wel wat te redden viel, hadden zij die gedachte opgegeven. Zoveel jaar onderhandelen? En? Niets voor teruggekregen.

We spreken er over met Abu Akram, een oude veteraan geboren in 1943, die in onze flat een kantoortje had, en elke ochtend bij het ontbijt even kwam praten. Hij was altijd radicaal gebleven, en hij genoot van die jongeren. Zie je wel, zei hij. Zij gaan de verandering brengen, en zijn ogen glinsterden erbij. Hij wist ook wel dat hij de echte vrijheid niet meer mee zou maken, maar hij was gelukkig dat hij het begin van een ommekeer had gezien. Zo voelde het. En hij wilde zijn optimisme wel met ons delen. Wij zijn geen Palestijnen, zei Glenn nog bescheiden. Jullie zijn hier al drie dagen, dus jullie zijn nu ook Palestijnen, zei Abu Akram.

En op de laatste dag, in de ochtend, toen we nog even met Aed Yaghi praten, de directeur van de PMRS, om ons bezoek te evalueren, kwam er nog een spannende aap uit de mouw. We hadden het er over dat het tegenwoordig moeilijker is om geld te verzamelen, omdat er veel concurrentie is, veel brandhaarden die onze aandacht vragen, Syrië kwam er ook nog tussen. En ik zei dat het me speet dat we niet meer konden doen. Hij wuifde het weg. Ik zal niet zeggen dat geld niet belangrijk voor ons is, zei hij, want we hebben het hard nodig, juist nu. Maar iets anders is minstens zo belangrijk, en dat ik dat jullie in Nederland het verhaal vertellen. En nog iets, we willen jullie ondersteuning vragen. We hebben in Palestina een nieuwe beweging opgezet, The Palestina National Initiative, waarin een reeks van progressieve groepen en organisaties zich hebben verzameld. Nog geen partij, maar wel een alternatief voor het leiderschap van zowel Fatah als Hamas. Ik ben daarvan de voorzitter geworden, Mustafa Barghouti is de General Secretary. (Die ik nog van vroeger ken, en die medeoprichter is van de PMRS). We moeten wel politiek actief worden, zegt hij. Je kunt je niet inzetten voor gezondheid zonder politiek. Wij willen terug naar de grens van 1967, we willen dat de resolutie voor de terugkeer van vluchtelingen wordt gerespecteerd. We gaan uit van geweldloos verzet, van vrije meningsuiting, van gelijke rechten voor vrouwen. We ondersteunen de demonstraties van de jongeren. En we willen in de Europese landen de progressieve partijen vragen om ons daarbij de ondersteunen. Kunnen jullie wat organiseren?
Dat kunnen we wel, denk ik. En dat gaan we doen.

Terug voelde al heel anders dan heen. Het waren een paar heftige en emotionele dagen. Het was fijn om die te kunnen delen met Brechtje en Glenn. We waren een goed team. Ik had een paar dagen nodig om bij te komen, en alles te verwerken (schrijven helpt) maar die enorme moedeloosheid is weg. Al is er nog helemaal niets opgelost. Ook strijdlustigheid is besmettelijk.

Er waren nog veel meer verhalen te vertellen, maar ik laat het even hierbij.
Brechtje van Bergen zal nog een artikel maken over de scholen, waar met de ondersteuning van Kifaia kamers worden ingericht voor de verstandelijk gehandicapten, waar ze op aangepaste manier kunnen leren en zichzelf veilig voelen. Behalve dat ons geld ook wordt gestoken in alle hulp aan de gewonden van de vrijdagse mars. We komen er nog op terug, dus, wat je kunt doen. Behalve dat je nu ook alvast naar Stichting Kifaia kunt om iets te doneren. (Ga naar kifaia.nl, daar kun je doneren met de IDEAL knop of zelf overmaken)