Het persoonlijke is politiek (1)

De bijdrage van Kennedy (Over tolerantie 4) was voor mij een aanleiding om na te denken. Dit was het stukje tekst dat een reeks van associaties veroorzaakte:

Er is voor het eerst een meederheidscultuur ontstaan die gekenmerkt kan worden als liberaal, seculier en blank. Omdat deze mensen zich niet tot een minderheid voelen behoren, zijn zij minder geneigd de waarde van respect voor minderheden te ontkennen. Omdat het geen deel uitmaakt van hun eigen belevingswereld, kunnen zij zich moeilijk voorstellen waarom minderheden een bepaald respect zouden moeten krijgen. Dat is een belangrijke ontwikkeling die nog steeds doorgaat.

Is het waar? Dit is in ieder geval wat ik waarneem: dat er veel harder over minderheden wordt gedacht en geoordeeld dat in het nabije verleden. Of waren de oordelen over minderheden meer ondergronds, minder zichtbaar voor mij? Ik maakte deel uit van twee circuits die me erg hebben gevormd: aan de ene kant de sociale bewegingen van de jaren zeventig en tachtig, en aan de andere kant het feit dat ik jarenlang les gaf en trainingen aan hulpverleners. In die sociale bewegingen voelden we ons allemaal min of meer lid van een of meer minderheden, door afkomst, kleur, levenstijl, politieke overtuigingen. Ik was al bij een antiracistische solidariteitsbeweging en las al Marx voordat de nieuwe golf feminisme losbarstte. Ik nam die ervaringen mee de vrouwenbeweging in. De sociale bewegingen van toen hadden allemaal de neiging om de eigen ervaring van onderdrukking of achterstelling centraal te stellen en weinig oog te hebben voor andere factoren. Links had het alleen over klasse en over economische uitbuiting en vond etniciteit en sekse secundair. Zeker was het belangrijk om bij de achterstelling van vrouwen en bij racisme de economische factoren te zien, maar inmiddels weten we (kunnen we weten) dar racisme en seksisme deels autonome processen zijn, en dat het niet vanzelf goed gaat als je er geen aandacht aan besteedt. De anti-racistische beweging had even vanzelfsprekend vooral oog voor etnische achterstelling en werd zwaar door mannen gedomineerd. En de vrouwenbeweging had het aanvankelijk alleen over het lot van vrouwen. Daar kwam verandering in toen zwarte vrouwen en arbeidersklassevrouwen zich begonnen te weren. Wat duidelijk werd: dat vrouwen wel gemeenschappelijke ervaringen hadden met de dominantie van mannen, maar dat het tegelijk behoorlijk uitmaakte of je een werkster had dan wel een werkster was. Ik was dus deel van de bewegingen binnen de beweging, de socialistisch-feministische stroming en de solidariteit met zwarte en migrantenvrouwen.

Helaas lijkt daar weinig van te zijn overgebleven, misschien hebben we te weinig aan de weg getimmerd. Als je het voornaamste overblijfsel ziet uit die tijd, het maandblad Opzij, tref je daar voornamelijk het mono-feminisme in aan. Als het maar gaat over vrouwen, vrouwen naar de top, dan is het wel in orde. En van socialisme lijken ze ook niet gehoord te hebben. Achter het mom van politieke neutraliteit verbergt zich een sterke hang naar de VVD. Het is niet voor niets dat migrantenvrouwen zich er weinig in kunnen vinden. Het lijkt wel of we weer terugvallen in ieder voor zich.

Veel van de koplopers van toen uit de vrouwenbeweging en homobeweging lijken zich aangesloten te hebben bij de nieuwe seculiere blanke meerderheid, en van daaruit de nieuwe verworvenheden te verdedigen tegen de nieuwkomers, die een deel van het emancipatieproces nog doormaken.

Ik heb lang les gegeven aan hulpverleners over diversiteit, over maatschappelijke verschillen, bij elkaar bijna dertig jaar. Ik behandelde bewust de grote scheidslijnen, klasse, kleur en sekse gemeenschappelijk, met ruimte voor nog andere verschillen, homo of hetero, joods zijn, dat weer niet vanzelfsprekend paste in het stramien van etniciteit, mensen met een handicap, leeftijdsdiscriminatie, geloof, stad en platteland. Mijn stelling daarbij was dat we meer empathie kunnen ontwikkelen voor wat andere mensen meemaken, andere minderheden, als we onder ogen zien en verwerken wat we zelf hebben meegemaakt. Want het is mijn overtuiging dat we allemaal, meer dan we ons meestal van bewust zijn, gevormd zijn door het nest waar we uitkomen.

Ik ben daar zelf een voorbeeld van. Ik ben geboren in de hogere middenklasse, als ondernemersdochter. Bij mij thuis was het motto: iedereen die iets wil bereiken kan dat, als hij maar zijn best doet. Dus wie weinig bereikte had dat ook aan zichzelf te danken. Te lui of te dom. Toen ik op mijn zestiende met een buitenlander trouwde zondr geld en met weinig opleiding viel ik met een klap uit mijn klasse. Het was een dubbele cultuurshock. Opeens kon ik ervaren hoe veel privileges je hebt als ondernemersdochter – toen ik ze kwijt was. Mijn motto veranderde: wie van onderop komt moet twee keer zo hard werken om het te maken dan mensen die van hogerop komen. En meer dan werken. We kennen al langer het begrip racisme. We kennen inmiddels het nieuwe begrip seksisme. Maar voor klassisme, discriminatie op grond van sociale achtergrond hebben we geen naam en we nemen het dus vaak niet waar. Iemand die maatschappeloijk gezien ‘verder’ wil komen moet zich op vele manieren aanpassen, een ander taalgebruik, een andere smaak, andere gewoontes, vergelijkbaar met het proces van ‘inburgering’ waar mensen uit andere culturen doorheen moeten. En onderweg maar al te vaak flink wat vernederingen slikken. Kijk maar, bijvoorbeeld, naar het aantal negatieve uitdrukkingen met het woord boer er in. Let maar op hoeveel mensen aan de top ‘plat’ of een ‘dialect’ praten.
Heel weinig.

Even tussendoor: het blijkt bijna onmogelijk om het over klasseverschillen te hebben zonder woorden als ‘hoog’ en ‘laag’. We hebben het over een hogere opleiding, we hebben het over opklimmen en over neerkijken op anderen. Het hoog en laag zit, met de er aan verbonden waardeoordelen, in onze taal ingebakken. Dat zegt wel iets over de mate waarin klasse, niet alleen economisch maar ook in de beleving van mensen een verborgen maar grote rol speelt, die een grote rol kan spelen in het eigen gevoel van eigenwaarde en de houding die we ontwikkelen tegenover anderen.

Als ik werkte in een gemengde groep (gemengd: vrouwen en mannen) dan begon ik meestal met klasse. Daar had ik, uit ervaring wijsgeworden, een goede reden voor. Begon ik als vrouw met sekse dan kon ik er op rekenen dat de aanwezige mannen de hakken in het zand zouden zetten en niet wilden horen wat de vrouwen zeiden. Dan kreeg je mannen die zeiden: ‘ ik wou dat ik thuis kon zitten en me laten onderhouden’. (Uit het woord zitten kon je meteen opmaken dat ze weinig wisten van huishouden, en de mannen die wel eens vrijwillig of noodgewongen financieel van een vrouw afhankelijk waren geweest wisten dat het weinig doet voor je ego) Het kenmerkende van de minderheid aan mannen in de hulpverlening was dat ze vaak afkomstig waren van de ‘lagere’ regionen van de maatschappij en al een heel emancipatrieproces hadden doorgemaakt, alleen, daar had niemand het over. Ik wel. Ik vroeg ze ernaar wat ze hadden moeten doen om zo ver te komen en wat ze onderweg hadden meegemaakt. Dan kreeg je soms emotionele verhalen, verhalen van pijn en moeite. En kijk, wanneer de mannen het gevoel hadden dat hun ervaring erkenning kreeg, woorden kreeg, dat ze niet voor niets trots mochten zijn op wat ze hadden bereikt, dan werden ze van de weeromstuit zachter – en opener, voor de ervaringen van vrouwen. Ook al blijkt elke ‘scheidslijn’ zijn eigen geschiedenis te hebben, en zijn eigen verschijningsvormen, mijn stelling dat mensen hu empathie kunnen voor anderen kunnen vergroten door eerst te kijken naar wat ze zelf hebben meegemaakt, maar ook om uitgenodigd te worden het daar niet bij te laten, werd keer op keer bevestigd. Waar ik als groepsbegeleidster vervolgens op moest letten is dat er geen Olympische Spelen uitbarstten van wie is er hier het meeste onderdrukt of gediscrimineerd en wie heeft er dus het meeste recht van spreken, en ik moest een beetje letten op de mensen die dachten dat ze saai waren omdat ze blank, hetero en uit de middenklasse kwamen. Uiteraard, dat ik dit werk zo kon doen had er mee te maken dat de ontwikkeling van empathie een belangrijke profeesionele eigenschap is voor hulpverleners, die tenslotte om moeten kunnen gaan met clienten uit een andere sociale laag of een andere cultuur – dat hoefde ik tenminste niet uit te leggen. Maar de belangrijkste les was – is- in principe ook daarbuiten geldig: als mensen niet de gelegenheid krijgen om erkenning te krijgen voor wat ze zelf hebben meegemaakt zitten ze vaak ‘dicht’ voor het leed van anderen, alsof er bij elk verhaal een stemmetje zegt: hoe zo heb jij het moeilijk, en ik dan?

Ik had in die tijd een droom. Ik dacht, als alle mensen die deel uitmaken van een minderheid, of van een achtergestelde en gediscrimineerde groep over de schuttingen van de eigen ervaringen ook naar anderen kunnen kijken, als al die groepen elkaar zouden erkennen, de handen ineen zouden slaan, coalities zouden sluiten, dan waren we geen minderheden meer maar een meerderheid. Dan hoefden we ons alleen nog maar af te vragen hoe we de machtige minderheid van blanke heteroseksuele middenklasse mannen om moesten turnen.
Die droom lijkt verder weg dan ooit. In een sombere bui denk ik wel eens dat we weer helemaal opnieuw moeten beginnen.
Okee, dan beginnen we weer opnieuw.

(Morgen deel 2. Bewaar reacties even tot dan)

8 gedachten over “Het persoonlijke is politiek (1)

  1. Citaat uit het stukje van James Kennedy:
    “Omdat deze mensen zich niet tot een minderheid voelen behoren, zijn zij minder geneigd de waarde van respect voor minderheden te ontkennen.”
    “Ontkennen” moet natuurlijk zijn: “erkennen”! (Ben ik gisteren vergeten te melden).

    Zelf ben ik een typisch blank mannelijk middenklassekind. (Niet geheel en al uitsluitend heteroseksueel, a la). Geen “onderdrukking” ervaren, alle kansen gekregen. Desondanks had ik al op jonge leeftijd gevoel voor de achterstelling en discriminatie van anderen, om welke reden dan ook. Ik stond wel open voor de wereld en dacht erover na. Dat kan ook, Anja! πŸ™‚

  2. Okee, okee, omdat jij het bent, Olav. En omdat het me zo interesseert: kun jij nagaan wat heeft gemaakt dat je wel al vroeg een gevoel ontwikkelde voor de achterstelling van anderen? Waar kwam dat gevoel voor rechtvaardigheid vandaan? Voorbeelden in je omgeving? Meemaken van onrechtvaardigheid op een andere manier? Ik weet dat ik mij al heel vroeg schaamde over hoe er in mijn milieu nogal neerbuigend met ‘dienstmeisjes’ en ‘hulpen in de huishouding’ zoals dat eufemistisch heette werd omgegaan. Dus ergens vandaan had ik al een kinderlijk gevoel van zo moet dat niet.

  3. Nu kom ik hier pas weer terug en lees ik je vraag, Anja. Ik zal proberen daarop een antwoord te geven. Maar gemakkelijk vind ik dat niet.

    -Een belangrijke rol heeft gespeeld: ervaringen op school. Het kwam mij allemaal “aanwaaien”, ik hoefde niet veel moeite te doen en kreeg hoge beoordelingen. Maar ik ben de helft van een twee-eiige tweeling. Mijn tweelingbroer en ik lijken noch van binnen, noch van buiten op elkaar. (Sommigen kunnen nauwelijks geloven dat we broers zijn). Het leren op school ging hem minder goed af; toch werden we steeds met elkaar vergeleken. Dat heb ik altijd als stompzinnig en onrechtvaardig ervaren. Want mijn tweelingbroer had natuurlijk andere kwaliteiten. Hij heeft mij b.v. gestimuleerd om aan sport te doen, zodat ik het belang en plezier daarvan leerde kennen. Die eenzijdige nadruk op intellectuele prestaties op school -althans vroeger- heeft mij zeker aan het denken gezet.
    -Gedurende een deel van zijn werkzame leven is mijn vader dominee geweest. Maar in de gemeente, waarin hij was “beroepen”, handelden mensen soms net zo gemeen en achterbaks (“onchristelijk” dus)als overal elders. Dat heeft mij doen inzien dat er een verschil is tussen wat mensen zeggen en wat ze doen.
    -Mijn ouders waren zeker niet bekrompen, op een ouderwetse manier “liberaal”, maar politiek niet beuwst. Onbewust namen ze toch bepaalde (voor)oordelen mee vanuit huin eigen achtergrond (familie van militairen resp. ondernemers). En daarmee was ik het nogal eens oneens. Van jongs af aan heb ik niets zo maar als vaststaand aangenomen; altijd de instelling gehad: zelf op grond van feiten, waarnemingen en nadenken tot conclusies komen.(Al formuleerde ik het als klein kind natuurlijk niet zo).
    -Naast milieu-factoren is het volgende van belang: kennelijk is er ook iets specifieks in de “genen”, dat strict individueel is. Ik ben totaal anders dan mijn tweelingbroer en twee oudere broers, en heb toch dezelfde biologische ouders en ben toch in hetzelfde gezin opgevoed. Als tienjarige haalde ik b.v. als enige de krant uit de bus om die te lezen, voordat mijn ouders dat konden doen. Ik was geinteresseerd in de (wereld)politiek, en was b.v. erg geschokt over wat zich in de VS voordeed aan rassenrellen, discriminatie, Ku Klux Klan, enz. Op de middelbare school kreeg ik belangstelling voor socialise en communisme. Maar geen van mijn broers is politiek actief geweest zoals ik (acties voeren, in aanraking komen met politie en justitie (wie A zegt, moet ook B zeggen en doen, vind ik)).

    Dus: ieder maakt een eigen ontwikkeling door, die niet ten volle bepaald wordt door het milieu, maar daarnaast ook door strict individuele eigenschappen en ervaringen. En dat is maar goed ook!

  4. Mooi verhaal, Olav. Ik blijf het fascinerend vinden hoe we zijn geworden wat we zijn geworden. Sommige dingen lijken bijna genetisch. sommige dingen lijken echt een culturele erfenis, sommige dingen ontstaan kennelijk door ervaring: je verzet je als kind tegen onrechtvaardigheid, je ziet de reactie, dat versterkt je in je gevoel van onrechtvaardigheid, enzovoorts. Je hebt ook zondagskinderen die overal doorheen zeilen en nooit nergens last van lijken te hebben.
    Ik voelde mij vaak een koekoekskind, als iemand mij zou hebben verteld dat ik een geadopteerd kind was geweest zou ik onmiddelijk op zoek zijn gegaan naar mijn ‘echte’ ouders. Toch blijk ik achteraf gezien meer van mijn ouders, met name mijn vader, te hebben dan ik destijds wilde weten. Hij ondernemer, dus ‘kapitalist’, ik daar vreselijk tegen. Tot duidelijk werd dat het ondernemen me wel degelijk in de genen zit, ik heb van alles opgezet onder het motto als je iets nodig hebt en het is er niet dan maak je dat zelf – een blad, een uitgeverij, een opleiding, een stichting. Dus iets verloochende zich ook niet. Zo ken ik meerdere domineeskinderen die zich erg tegen het ouderlijk huis hebben afgezet, ondertussen, en ik bedoel dat positief, een onbedwingbare neiging hebben om de wereld te verbeteren.
    Nou, die associaties kwamen op bij jouw verhaal – je zou er meer mee kunnen doen, achter elk stukje verhaal zit nog een heel verhaal. Dus dank je wel.

  5. >>Zo ken ik meerdere domineeskinderen die zich erg tegen het ouderlijk huis hebben afgezet, ondertussen, en ik bedoel dat positief, een onbedwingbare neiging hebben om de wereld te verbeteren.
    Nou, die associaties kwamen op bij jouw verhaal – je zou er meer mee kunnen doen, achter elk stukje verhaal zit nog een heel verhaal.

    Hihi, als ik even mag via deze weg… Ik heb Olav leren kennen via het webloggen, en hij heeft me zonder dat ie me eigenlijk kende het afgelopen jaar gigantisch geholpen… Anja, je zegt dat Olav meer zou kunnen doen, nou volgens mij, en voor wat ik van hem heb gezien zo, doet ie heel veel hoor πŸ™‚

    …Dus bij deze nog maar eens, bedankt Olav πŸ™‚ …enne ook voor koffie vandaag πŸ˜‰

  6. @ Patrick (6):

    Bedankt Patrick, voor je lieve woorden. Ik schrik ervan, dat dit hier zo maar staat. (Ik word er ook wat verlegen onder, want ik beschouw het niet als een “verdienste” te doen wat je kunt. En voel me vaak genoeg nog tekortschieten…..). πŸ™‚

  7. Olav,

    Er zijn te veel mensen die er niet zo over denken, die het helemaal niet vanzelfsprekend vinden dusse…
    Mag toch best een keertje gezegd worden πŸ™‚

Reacties zijn gesloten.