Tony Judt over jodendom

Een persoonlijk antwoord op de vraag wat het betekent om joods te zijn. Dat is, als je niet gelovig bent, nog niet zo eenvoudig. Want dit is de vreemde afspraak: wie katholiek of protestant was, en het niet meer is, blijft zichzelf niet katholiek of protestant noemen, maar wie joods is blijft joods, ook als het geloof van de voorvaderen allang is opgegeven. Tony Judt in The New York Review of Books van 13 mei

Ik heb Toni Avegael nooit gekend, schrijft Judt. Ze werd in februari 1926 geboren in Antwerpen. Ze was een volle nicht van Judt’s vader. Haar zuster, een lange, sombere vrouw die in Londen woonde heeft Judt wel gekend. Aan hen moet hij denken als hij de vraag probeert te beantwoorden wat het betekent om joods te zijn. Want aan rabbijnen heeft Judt niet veel boodschap, hij zoekt niet vanzelfsprekend het gezelschap van andere joden, en – weer zo’n bijna onvertaalbare zin – “for the most part I haven’t married them”. Ik ben ook geen afvallige jood, zegt hij, aangezien ik nooit gedreven ben geweest om aan de voorwaarden te voldoen, ik voel geen speciale liefde voor Israël, en het kan me niet schelen als dat wederzijds is. “Maar wanneer iemand me vraagt of ik joods ben beaam ik dat zonder te aarzelen, en ik zou me schamen om dat niet te doen.”

Judt is zich vooral bewust geworden van de paradoxen van zijn joodszijn in New York waar hij tegenwoordig woont. Daar weten de meeste joden uit zijn kennissenkring heel weinig over de joodse cultuur of geschiedenis, ze spreken geen Jiddisch en geen Hebreeuws, en komen zelden in een synagoge. Toch vinden ze zichzelf joodser dan Judt zich kan herinneren van de joden uit Engeland. Zelfs hem schokte het toch een beetje dat bijna geen man een hoed op een keppeltje droeg tijdens een Bar Mitzvah – zelf was hij nog naar huis gerend omdat hij zijn hoed bijna was vergeten. Maar dan maakt hij mee op een benefiet gala dat een joodse man van middelbare leeftijd tegen hem zegt: “jij bent toch Tony Judt? Je moet eens ophouden zulke vreselijke dingen over Israël te schrijven!” Hoezo, vraagt Judt, wat is er precies zo vreselijk aan wat ik zeg? Waarop de man zucht, en zegt, “Ik weet het niet hoor, ik ben nog nooit in Israël geweest. Maar wij joden moeten voor elkaar opkomen, het kan toch zijn dat we Israël eens nog eens nodig hebben”.

Dit is het merkwaardige aan Amerikaanse joden, zegt Judt, dat je een land achter de hand wilt houden als een verzekeringspolis, voor het geval je per ongeluk weer terecht komt in het Polen van 1942. En dat in die omgeving: een elitaire bijeenkomst waar veel van de aanwezigen joden zijn. Zijn de joden in Amerika niet buitengewoon succesvol, vergaand geïntegreerd, zeer gerespecteerd en met meer invloed dan joden in de geschiedenis ooit hebben bezeten? Waarom is de moderne joodse identiteit dan nog zo obsessief verbonden met die oude herinnering, en de anticipatie op mogelijke verdwijning? Als Hitler niet had bestaan is het de vraag of het jodendom niet vanzelf was verdwenen in de geschiedenis, denkt Judt.

Judt gaat de geschiedenis van zijn eigen familie na. Van gelovig jodendom in de shtetl naar het leven als migranten in een vreemde wereld, en de succesvolle assimilatie. Er was een tijd dat joods zijn ‘geleefde werkelijkheid’ was. Maar nu bestaat het voor een groot deel uit het herinneren van wat het eens betekende om joods te zijn, schrijft Judt. En nu zijn er joden, met name Amerikaanse joden, die hun identiteit vooral ontlenen aan de holocaust: die herinnering geeft zin, identiteit, een liturgie als het ware, een morele les. Maar hier wordt een vergissing begaan: ze verwarren de manier van herinneren met de reden ertoe. We zijn toch niet alleen joden omdat Hitler geprobeerd heeft om onze grootouders uit te roeien?

In het Israël van tegenwoordig wordt de herdenking aan de holocaust ook gebruikt om niet te vergeten hoe verschrikkelijk niet-joden kunnen zijn. De herinnering aan de diaspora wordt dubbel uitgebuit: om een kritiekloos soort ‘Israëlfilie’ mee te rechtvaardigen, en om een larmoyant zelfbeeld in stand te houden. “Mij lijkt dat een abject misbruik van de herinnering aan de holocaust”, zegt Judt. Anders dan die man van middelbare leeftijd die niet wil dat hij ‘vreselijke dingen’ over Israël schrijft gelooft Judt niet in de terugkeer van Hitler. Jodendom is niet bedoeld als defensieve onverschilligheid en een terugtrekkende beweging in zelfmedelijden. Jodendom is bedoeld als het vermogen tot collectief zelf-onderzoek en het vermogen tot zelfkritiek. “Ik voel dat als een verantwoordelijkheid, een verplichting die onze geschiedenis ons heeft opgelegd, en dat is waarom ik joods ben”, zegt Judt.

Toni Avegael, de nicht van zijn vader, waar hij het verhaal mee begon, werd in 1942 op transport gezet naar Auschwitz en vergast. “Ik werd naar haar vernoemd”.

(Vervolg van een stuk over soberheid, hier. Een weergave van Judt’s kritische artikelen over Israël, hier.)