Brief 5: over journalistiek en onpartijdigheid

Een brief aan vriendin Fréderike Geerdink, over de vraag waarom het maar niet opschiet met de diversiteit in de media. ‘Zolang witte mannen denken dat ze beter geschikt zijn om ‘evenwichtig’ verslag te doen zullen redacties geen afspiegeling zijn van de maatschappij waarin wij leven.’ Geplaatst op Rekto Verso, 23 september 2020.

Ha Fréderike Geerdink!

Eerder liet ik je via Facebook al weten dat ik je stuk over het gebrek aan diversiteit in Nederlandse journalistiek in Vrij Nederland met veel plezier heb gelezen (hier). Omdat het stuk lang in mijn hoofd bleef spoken, schrijf ik je nu deze brief om mijn overpeinzingen wat genuanceerder met je te kunnen delen. In dat essay onderzoek je waarom ‘diversiteit’ zo moeizaam tot stand komt in redacties – zowel van kranten als van tv-programma’s. Sommigen zeggen dat ze wel proberen om meer mensen van kleur aan te nemen, maar dat die moeilijk te vinden zijn. En als ze er een paar te pakken hebben, dan verdwijnen die ook vaak weer.

Wij weten dat dit geen theoretische kwestie is. Jij bent immers journaliste en je hebt iets gedaan wat weinig journalisten op kunnen brengen. Je bracht een jaar door bij de PKK, de gewapende Koerdische bevrijdingsbeweging. Het boek dat je daarna schreef, Het vuur dooft nooit, is niet alleen informatief over een kwestie waar ik te weinig over wist maar het laat ook op inspirerende manier zien hoe de Koerden naar een rechtvaardiger wereld proberen toe te werken. Bijvoorbeeld door leidersposities principieel te verdelen onder mannen én vrouwen. Daar kunnen we hier nog een voorbeeld aan nemen.

Ook liet je zien hoe embedded werken jou als journalist veranderde. Daarna kon je elke illusie van onpartijdige journalistiek wel laten varen en daar worstel je mee in je artikel in Vrij Nederland. Ik herken dat. Ik ben natuurlijk een schrijfster dus in tegenstelling tot een journalist mag ik gewoon zeggen wat ik vind. Maar met 25 jaar Gaza heb ook ik een lange weg afgelegd. Dat beschrijf ik in mijn boek Kwart over Gaza, over hoe onpartijdigheid niet langer een optie is als je met eigen ogen de puinhopen hebt gezien na een bombardement. Neutraliteit is altijd onmogelijk als je oog in oog staat met evident onrecht. Ik erger me nog steeds aan journalistiek die doet alsof ze boven de partijen staat, omdat de journalistieke norm dat van ze eist. ‘Het conflict tussen Israël en Hamas heeft al heeft al 1.500 slachtoffers geëist’, heet het dan, zorgvuldig de term ‘bezetting’ vermijdend. En uiteraard zonder te vermelden dat de doden nogal eenzijdig aan één kant vallen.

Zo beschreef de Israëlisch vredesactivist Uri Avnery dat verschijnsel: ‘journalisten zijn dol op symmetrie. Het veroordelen van beide zijden maakt een superieure indruk van onpartijdigheid. De lezers mogen denken dat de schrijver vrij is van oordelen, ver verheven boven het lawaai van de massa’.

En dit was mijn conclusie in mijn boek: partijdigheid is in veel situaties onvermijdelijk, en is niet per se strijdig met de normen van objectiviteit. Objectiviteit betekent volgens mij dat je als verslaggever of schrijver de plicht hebt om zo trouw mogelijk de feiten weer te geven, te checken en transparant te zijn over je bronnen – zéker als die feiten erop wijzen dat er geen sprake kan zijn van een een ‘evenwicht’ maar dat het gaat om aantoonbare en vergaande machtsongelijkheid. De waarheid ligt niet altijd in het midden.

Dat werd onlangs nog maar eens duidelijk in Nederland. Eerst was er een onverwacht grote Black Lives Matter-demonstratie op de Dam. In plaats van de honderden mensen die de gemeente en de organiserende actiegroepen hadden verwacht, doken er plots duizenden demonstranten op. Eerst probeerden de media het ‘nieuws’ te verschuiven naar de burgemeester die de demonstratie niet had afgelast toen bleek dat met zoveel mensen de coronamaatregels niet te handhaven bleken. Maar toen er nog meer demonstraties kwamen, met nog vele duizenden mensen, waaronder veel witte jongeren, sloeg de stemming om.

Ik heb de kranten van die juni-dagen nog: pagina na pagina vol verhalen en foto’s van zwarte mensen. De Volkskrant kwam met een meer dan twintig pagina’s tellende special, ‘de wereldwijde opstand tegen racisme’. Daarna volgden de weekbladen. ‘No justice no peace, de wereld staat op tegen racisme’, stond op het omslag van De Groene Amsterdammer, naast een in de lucht gestoken zwarte vuist. Nog wat later volgde de maandbladen. Zelfs de modebladen waren verkleurd. Opzij besteedde acht pagina’s aan de vrouwen van Black Lives Matter en had een zwarte vrouw op de cover.

Ik dacht nog: nu is het wachten op de backlash. En ja hoor, die bleef niet lang uit. Bijvoorbeeld politiek commentator Martin Sommer, die onder de kop’Laten we vasthouden aan hoor en wederhoor, ook als het om racisme gaat’, voor zijn De Volkskrant-column (hier) een pleidooi schreef voor de traditionele redactionele waarden waarbij journalisten bereid moeten zijn om van hun eigen oordeel af te stappen en zo ‘evenwichtig’ mogelijk verslag te doen. Die column kwam niet voor niets op dat moment. Jaar in jaar uit was de berichtgeving van zijn krant volstrekt gedomineerd door witte mannen en een paar witte vrouwen en een enkele gekleurde columnist. Bijna niemand viel het op dat dat misschien niet zo evenwichtig was.

En nu voor het eerst sloeg de slinger even uit naar de andere kant, alsof er iets ingehaald moest worden. Er bleek een massa mensen van kleur te zijn die een verhaal te vertellen hadden. En kijk. Plots was het dus hoog tijd om de journalistiek eraan te herinneren dat ze vooral onpartijdig moeten blijven. Zou er niet naast elke zwarte man die vertelde hoe vaak de politie hem aanhoudt ook een witte meneer moeten vertellen dat het in ons tolerante landje best meevalt met dat racisme en dat ze eens op moeten houden met zeuren over slavernij? Voor het evenwicht?


(Fréderike Geerdink)

Jij zegt het in wat andere woorden dan ik, Fréderike. Voor jou is het gewoon dat het bepleiten van sociale verandering heel goed samen gaat met goede journalistiek. Strijd om sociale rechtvaardigheid – zoals feminisme, antiracisme en antikapitalisme – zijn per definitie een strijd tegen de macht, schrijf je. Voor jou is het vanzelfsprekend dat journalisten de machtsmechanismen kritisch moeten beschouwen, willen ze werkelijk onafhankelijk blijven. Daarbij kunnen alleen mensen die denken dat de strijd niet over hen gaat denken dat ze zich afzijdig kunnen houden. Alleen de journalisten die denken dat ze geen onderdeel zijn van de machtsstructuren kunnen hun taak ‘met distantie’ uitvoeren.

En nu komen we aan het punt waarom het maar niet opschiet met de diversiteit op de redacties van tv-programma’s en weekbladen: zolang witte mannen denken dat zij per definitie beter geschikt zijn om ‘evenwichtig’ verslag te doen – alsof wit geen kleur is, geen partij – en zolang alle mensen afkomstig uit gemarginaliseerde groepen er per definitie van verdacht worden dat ze wel partijdig zullen zijn en steeds maar moeten bewijzen dat ze geen kant kiezen, zolang zullen redacties geen afspiegeling zijn van de maatschappij waarin wij leven.

Het zijn die zogenaamde neutrale normen zelf die mensen buitensluiten. Omdat ze niet neutraal kunnen zijn, omdat ze teveel weten. Omdat ze het onrecht en de ongelijkwaardigheid aan eigen lijf ervaren. Zij, de mensen van kleur en het handjevol witte overlopers zoals jij en ik – disloyal to civilisation zoals feministe Adrienne Rich dat omschreef – moeten hun eigen waarnemingsvermogen geweld aandoen om aan boord te kunnen blijven van een medium waarin steeds dezelfde mensen die zo overtuigd zijn van hun eigen onpartijdigheid de baas zijn en beslissen waar de grens ligt van wat is toegestaan als ‘neutrale’ verslaggeving.

Je citeerde Seada Nourhussen, die als columnist en Afrika-redacteur voor Trouw werkte maar die krant verliet om hoofdredacteur te worden van One World, een blad dat onbeschaamd kleur kiest. ‘Ik denk dat ik als journalist uit een gemarginaliseerde groep meer detached ben, juist omdat ik buiten het systeem val en minder baat heb bij de status quo dan witte journalisten. Die kritische distantie waar veel media mee schermen, hebben journalisten die niet wit of man of hetero zijn, juist veel meer.’

We hebben het dus over een machtsstrijd, waarbij de definitiemacht nog steeds in handen van datzelfde witte establishment blijft. Een definitiemacht die door redacties en journalisten als Sommer met hand en tand verdedigd zal worden. We hebben het over een verborgen mechanisme van uitsluiting waarbij juist de mensen met de meeste kennis van zaken – kennis van binnenuit – niet aan de bak komen zonder zichzelf geweld aan te moeten doen en de mensen die het niet opbrengen om neutraliteit te veinzen en die maar al te vaak dan maar hun eigen weg kiezen. Mensen die hun eigen waarheidsvinding belangrijker vinden dan een beter betaalde functie en hun eigen media scheppen. Mensen voor wie activisme en de wereld voorlichten in elkaars verlengde liggen. Die ‘nee’ zeggen tegen zinloze en vernederende uitnodigingen waarbij ze aan tafel mogen zitten met hun tegenstanders, de mensen voor wie racisme gewoon een andere mening is. Om vervolgens het verwijt te krijgen dat ze zich onttrekken aan ‘het debat’ omdat ze zich niet willen laten gebruiken.
Zullen we het daar nog eens over hebben, Fréderike? Ik denk dat er nog veel meer verborgen vormen van uitsluiting zijn. Van deze onderhuidse cultuurstrijd zijn we voorlopig nog niet van af.

Ik zie je graag gauw weer.

Met liefs, sister in crime. Hou vol.
Anja