“Leef, adem”

00amanmetkinddood090118-mezan.jpg
Ooggetuige verslag van Caoimhe Butterly, uit Gaza. Vertaling Ria van Minnen. Vier dagen geleden.
15 januari 2009

De mortuaria in de ziekenhuizen van Gaza zijn boordevol. De lichamen gewikkeld in met bloed doordrenkte witte lijkgewaden bedekken de gehele vloer van het mortuarium in het Shifa ziekenhuis. Sommige lichamen zijn nog intact, maar de meeste zijn vreselijk verminkt, de ledematen in een onnatuurlijke stand, de borstkas uiteengereten, het hoofd weggeblazen, de schedel verbrijzeld. Buiten wachten familieleden om hun broer, man, vader, moeder, vrouw of kind te identificeren. Veel van de mensen die op hun beurt wachten, hebben talloze familieleden en geliefden verloren.

Overal zie je bloed. Ziekenbroeders spuiten de vloeren van de operatiekamers schoon, in de hoeken ligt bebloed verband, en intussen blijven de gewonden maar binnenstromen: lichamen verminkt door granaatscherven, brandwonden, schotwonden. Het medisch personeel werkt dag en nacht door en is volkomen uitgeput. Elk leven dat wordt gered, wordt gezien als een overwinning op de alomtegenwoordigheid van de dood.

De straten van Gaza zijn griezelig stil. Verdwenen zijn de levendigheid en het ritme van de markten, kinderen, vissers die ’s ochtends naar de zee lopen. In plaats daarvan heerst er een sfeer van onzekerheid, afzondering en angst. De inwoners van Gaza luisteren aandachtig naar de voortdurend aanwezige geluiden van surveillancevliegtuigen, F-16’s, tanks en Apache-helikopters in een poging in te schatten waar de volgende dodelijke aanval zal plaatsvinden, welk huis, welke school, welk ziekenhuis, welke moskee, welk overheidsgebouw of wijkcentrum straks wordt aangevallen, en waar je indien nodig het beste dekking kunt zoeken. Iedereen is ervan doordrongen dat geen enkele plek hier veilig genoeg is om het kwetsbare menselijk lichaam te beschermen. Voor ouders is het een verpletterende gedachte dat ze hun kinderen geen enkele veiligheid kunnen bieden.

Dag in dag uit vergezellen we de Palestijnse ambulancebroeders die hun leven op het spel zetten op weg naar slachtoffers die volledig van hun hulp afhankelijk zijn. Bij elke nieuwe oproep draait alles om die paar kostbare minuten die het verschil kunnen maken tussen leven en dood. Met loeiende sirene snellen we voort over gehavende, verlaten wegen voor een nieuwe strijd op leven en dood. We hebben de taal geleerd van de oorlog die de Israëli’s hier voeren met de gevangen bevolking van Gaza. We hebben onderscheid leren maken tussen de geluiden van het uiteenlopende wapentuig, de timing tussen de eerste raketinslag en de onvermijdelijke tweede, waardoor diegenen geraakt worden die de gewonden willen verzorgen en evacueren. We herkennen de tekenen van de verschillende chemische wapens die bij deze aanvallen worden gebruikt. Zo proberen we om te gaan met het pijnlijke besef van onze eigen sterfelijkheid.

Bij een groot deel van de oproepen zijn het geen gewonden maar lijken die moeten worden opgehaald. De doden wordt een fatsoenlijke begrafenis gegund. Zo wordt het ambulancepersoneel geconfronteerd met doelbewuste aanvallen op hun collega’s en helpers. Bij het evacueren van slachtoffers zijn al dertien mensen gedood en veertien ambulances vernield. Toch blijft men zoeken naar de verscheurde lichamen, uit respect voor de doden en hun families.

Gisteravond, terwijl het ambulancepersoneel in het Jabaliya vluchtelingenkamp hun verhaal deed bij een kop thee, kwam er een oproep binnen. Een raketaanval. Toen we aankwamen bij de rand van het kamp, waar de aanval had plaatsgevonden, was het hele gebied gehuld in een grote stofwolk. Elektriciteitsdraden waren losgetrokken, er lagen grote brokken beton en uit waterpijpen stroomde water op straat. In een chaos van afgerukte ledematen en bloed troffen we een jongeman aan. Hij was door granaatscherven geraakt aan borst en gezicht, maar hij was nog bij bewustzijn.

Onderweg in de ambulance drukten we zijn wonden dicht. Zijn warme bloed drong door het verband. Terwijl ik hem vragen stelde, opende hij zijn ogen. Hij sloot ze weer toen Muhammad, een vrijwillige ambulancebroeder, keer op keer “ayeesh, nufuss” (leef, adem) prevelde. Bij aankomst bij het ziekenhuis verloor hij het bewustzijn. Zijn vrienden droegen hem naar de eerstehulp. De jongeman, Majid, heeft het overleefd en is herstellende.

Even later een nieuwe raketinslag, dit keer in een woonhuis. Een grote hoeveelheid mensen had zich bij de puinhopen van het vier verdiepingen tellende woonhuis verzameld in een poging om overlevenden uit het puin te trekken. Het gezin van wie het huis was, had het gebied een dag eerder verlaten en de enige persoon die zich in het huis bevond ten tijde van de inslag, was de 17 jaar oude Muhammad die terug was gegaan naar het huis om kleren te halen voor het gezin. Hij werd onder het puin vandaan gehaald met zijn benen in een onnatuurlijke stand en een hoofdwond, maar hij leefde nog. Vanwege het risico op een tweede inslag moesten we hem wel verplaatsen. In de ambulance, kreunend van de pijn, riep hij om z’n moeder. We oordeelden dat hij een goede kans maakte om het te overleven. Hoewel hij veel pijn had, was hij bij bewustzijn. De rest van de nacht had ik het zo druk met de ene oproep na de andere voor het ophalen van gewonden en doden, dat ik vergat nog even te kijken hoe het met hem ging. Vanochtend werden we gebeld om een lichaam terug te brengen van het al-Shifa ziekenhuis naar Jabaliya. We legden het lichaam, gehuld in een met bloed doordrenkte lijkwade, in de ambulance. Eenmaal onderweg beseften we pas dat dit het lichaam van Muhammad was. Zijn broer reed met ons mee. Hij had de lijkwade opengeslagen en kuste het voorhoofd van Muhammad.

Vanochtend hoorden we dat het al-Quds ziekenhuis in Gaza stad werd bestookt. Urenlang probeerden we tevergeefs bij het ziekenhuis te komen, voorbij de Israëlische tanks en scherpschutters, om de gewonden en doden te evacueren. Vervolgens kwam er een oproep uit de wijk Shejaiya. Bij een huis zouden zich zowel doden als gewonden bevinden die moesten worden opgehaald. Het gebied zag er verlaten uit. Veel gezinnen waren gevlucht op het moment dat de Israëlische tanks en scherpschutters stelling namen tussen hun huizen. Anderen hielden zich stil in hun donkere huizen en kropen van kamer naar kamer om te voorkomen dat ze in het vizier kwamen van scherpschutters.

Terwijl we langzaam door het gebied reden, hoorden we het hulpgeroep van vrouwen. We liepen het laatste stuk naar hun huis, gevolgd door de ambulances. Toen we in de deuropening stonden, renden de vrouwen met hun kinderen op ons af, bevend en huilend van ellende. In het licht van de koplampen van de ambulance zagen we bij de deur van het huis de lichamen van vier mannen liggen, dodelijk gewond door granaatscherven. Van één man lag de schedel open, bij anderen waren ledematen afgerukt. Deze vier mannen waren de echtgenoten en broers van de vrouwen. Ze hadden zich buiten gewaagd om voedsel te zoeken voor hun gezinnen. Hun lichamen waren nog warm toen we ze op de oneffen grond probeerden te verplaatsen met onze brancards. De grond en onze kleren zaten onder hun bloed. Toen we ons gereedmaakten om het gebied te verlaten, zagen we in het licht van onze zaklamp het lichaam van nog een dode man, met granaatwonden aan buik en borst. Omdat de andere ambulances vol zaten, en we ons moesten haasten vanwege het risico te worden beschoten door scherpschutters, moesten we zijn lichaam meenemen in de ambulance waarin de vrouwen en kinderen werden vervoerd. Een van de meisjes staarde me aan voordat ze bij me kwam. Haar naam was Fidaa, wat ‘opoffering’ betekent. Ze keek met grote ogen naar de lijkzak en vroeg wanneer hij weer wakker zou worden.

Eenmaal terug bij het ziekenhuis kregen we bericht dat het Israëlische leger het ziekenhuis van al-Quds onder vuur had genomen. Er bestond een risico dat de brand die hierdoor was ontstaan, zich zou uitbreiden en we zouden 20 minuten de tijd hebben om patiënten, artsen en bewoners van de omringende huizen te evacueren. Toen we daar met een konvooi ambulances aankwamen, hadden zich honderden mensen verzameld. Na de aanvallen op het hoofdkwartier van de VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen (UNRWA) en het ziekenhuis, was iedereen ervan doordrongen dat in Gaza geen enkele plek veilig of heilig was.

We brachten evacués naar nabij gelegen ziekenhuizen en scholen. Daar speelden zich hartverscheurende taferelen af – wanhopige gezinnen met kinderen op de arm, dekens en tassen met bezittingen bij zich, in de koude nacht op zoek naar een veilig hoekje van een school of ziekenhuis. De ambulancebroeder die we vergezelden, beschouwde het aantal van 46.000 Palestijnen dat momenteel op de vlucht was als de voortzetting van een voortdurend proces van onteigening en verdrijving. Generatie op generatie heeft slachtpartijen als deze meegemaakt.

Het aantal dodelijke slachtoffers was 75 vandaag. Daarmee was dit een van de bloederigste dagen tot dusver. De afgelopen 21 dagen zijn ten minste 1110 Palestijnen gedood, waarvan 367 kinderen. De humanitaire infrastructuur van Gaza, die na een jarenlange belegering toch al ernstig gehavend was, is zwaar getroffen. Alle mogelijke schuilplaatsen zijn opzettelijk en systematisch vernietigd. Geen enkele plaats is hier nog veilig, voor niemand.

Toch is deze gemeenschap, ondanks de gruwelijke ellende, nog intact. De onderlinge solidariteit en steun is inspirerend en de standvastigheid van deze mensen wekt bewondering bij iedereen die hiervan getuige is. Hun opofferingen vragen om een collectieve reactie van onze kant. Demonstraties zijn niet genoeg. Gaza, Palestina en haar inwoners blijven leven en ademen. Ze blijven overeind en weigeren zich gewonnen te geven. Ze verdienen ons aller steun.

Caoimhe Butterly is een Ierse mensenrechtenactivist die als vrijwilliger actief is bij de ambulancedienst in Jabaliya en Gaza en coördinator is bij de Free Gaza Movement.

Origineel: hier.

Eva Bartlett, die ook regelmatig schrijft vanuit Gaza, hier.“>hier met een verslag over de brandwonden door fosfor.

3 gedachten over ““Leef, adem”

  1. Anja, Ik moet even wat kwijt. Zojuist lees ik dat de Nederlandse troepen in Afganistan de hulp krijgen van Israeliers!!!. Afgezien van het feit dat die lui daar nog minder te zoeken hebben dan wij (geen NAVO) vind ik dit een rechtstreekse confrontatie van ons kabinet met alle Nederlanders die vinden dat Israel na de recente oorlogsmisdaden in het kamp Gaza geisoleerd moet worden. Dit kan toch niet!
    Sorry, haal maar weg als je mijn reactie op deze situatie te overdreven vind. Verder steun ik uiteraard Kifaia.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *