Geen noodhulp voor Gaza

Minister van Ardenne is niet van plan om terug te komen op de beslissing van het ministerie om géén noodhulp naar de UNRWA in Gaza te sturen: ‘Misschien als er aan het eind van het jaar nog wat over is’.
Tiny Kox ging ondertussen in debat met minister Bot over Irak. Bot vindt dat er in Irak geen sprake is van een oorlog, ‘in ieder geval niet juridisch’. Toen zei Ed van Thijn: ‘Maar er wordt anders wel gesneuveld bij het leven’.
In het Kamerwerk leer je wel je verlies te incasseren, maar nu het om Gaza gaat vind ik het wel erg. Over twee weken stemmen we over de motie die ik heb ingediend.
Hier is ondertussen de tekst die ik uitsprak:


Begrotingsbehandeling Ontwikkelingssamenwerking
Anja Meulenbelt, SP fractie, 25 mei 2004

Doordat ik nogal eens vertoef in landen die te maken hebben met onze ontwikkelingshulp weet ik uit eerste hand dat Nederland bekend staat als betrokken en betrouwbare partner. Nog steeds is er een groot draagvlak onder de Nederlandse bevolking om een deel van ons inkomen te besteden aan landen die er minder fortuinlijk voor staan als wij, niet alleen uit solidariteit of naastenliefde, maar ook uit het besef dat we geen eiland zijn in deze wereld. Onze toekomst hangt mede af van een wereld met een rechtvaardiger verdeling van welvaart, en meteen in samenhang daarmee, met een veiliger wereld, ook voor ons.
Wanneer ik in mijn bijdrage kom met kritische punten en vragen is dat niet om onze ontwikkelingssamenwerking in discrediet te brengen, maar om te kijken of er verbetering mogelijk is in het streven waarvan ik aanneem dat de minister en mijn fractie dat in essentie delen.

Ik heb een keuze moeten maken voor een paar concrete thema’s om te voorkomen dat mijn bijdrage alle kanten opvliegt: we hebben nu eenmaal erg veel buitenland. Het staat er in grote delen van de wereld niet best voor. Ik hoop dat daarbij duidelijk is dat die thema’s min of meer model staan voor het beleid als geheel.

De minister en mijn fractie delen een streven om het instrument van de ontwikkelingssamenwerking effectiever te maken in de doelen die we hebben geformuleerd, zoals onder andere de bestrijding van armoede, het stimuleren van goed bestuur en de uiteindelijke onafhankelijkheid van landen die het nu nog niet redden zonder ondersteuning van buiten af.

Dat is niet eenvoudig. Aan de ene kant willen we niet als neokolonialisten over partnerlanden en organisaties heenhangen en hen onze normen opdringen, aan de andere kant weten we ook dat veel ontwikkelingshulp niet op de juiste plek terecht komt als er geen eisen worden gesteld aan transparantie en goed bestuur, of wel op de juiste plek maar verkeerd ingezet. We moeten hoe dan ook vermijden dat zelfs de schijn wordt gewekt dat via ontwikkelingshulp geld van arme mensen in rijke landen terecht komt bij rijke mensen uit arme landen. Ik denk dat daar ook niet-socialisten het over eens kunnen zijn.

Ik ken veel voorbeelden van hoe het mis kan gaan uit eigen ervaring. Ik heb bijvoorbeeld in de Gazastrook waargenomen dat er met de beste bedoelingen veel verkeerd gaat wanneer de door het buitenland gesponsorde projecten te hoge salarissen uitbetalen aan locale werknemers. Het lijkt aardig om iemand een maandsalaris aan te bieden van zeg 600 euro – wij zouden het er niet voor doen – maar wanneer voor datzelfde werk daar gebruikelijk is om iemand 350 euro te betalen kopen we de beste koppen weg, die vervolgens als het project is afgelopen weer op straat staan. Een ander fenomeen dat ik veel tegenkom is dat organisaties in nood ons naar de mond gaan praten en gaan voldoen aan door ons gestelde eisen ook als die weinig van doen hebben met de concrete behoeften daar. Willen de rijke landen ‘gendermainstreaming’? Okee, dan doen we een vrouwenproject. Ik heb meermalen meegemaakt dat organisaties dan zitten met een modieus project dat ze uit zich zelf nooit zouden hebben gekozen, terwijl er te weinig geld is om de lopende salarissen te betalen. Een ander zorgelijk verschijnsel zijn de buitenlandse projecten, ik heb er een paar meegemaakt onder de vlag van Echo, die een onevenredig deel van het budget, in één geval liep dat op tot 70%, gebruikte voor de onkosten van de buitenlandse werknemers. De ontvangende partners durfden niet te protesteren uit angst de overige 30% ook nog kwijt te zijn. Kortom, er kan ter plekke veel mis gaan. Ik weet dat de minister niet persoonlijk alle landen langs kan om zelf te kijken wat er met ons geld wordt gedaan, maar kan ze haar licht laten schijnen hoe we meer controle kunnen uitoefenen, zonder daarbij over de schreef te gaan en eisen te stellen die contraproductief werken.

Mijn fractie heeft verder een grote zorg over het feit dat met het stimuleren van de handelsbetrekkingen en de investeringen in ondernemingen uiteindelijk 50% van de ontwikkelingsbijdragen weer terug vloeien naar het Nederlandse bedrijfsleven. Ik bedoel: van mij hoeven ze er ook niet armer van te worden, maar is dit wel de bedoeling? Daarover hoor ik graag de reactie van de minister.

Een derde zorg van mijn fractie is de druk die er uitgeoefend wordt op het budget van Ontwikkelingssamenwerking om de gaten te dichten in de defensiebegroting. Wij ontkennen niet dat er een directe relatie bestaat tussen veiligheid en welvaart, en dat veiligheid een voorwaarde kan zijn om ontwikkelingssamenwerking effectief te maken, maar we kunnen ook het omgekeerde constateren, waar welvaart en welzijn groeit slinkt het gevaar op gewelddadige conflicten. Ik hoop dus erg dat de minister zich niet door Defensie de kaas van het brood laat eten – wij die tenminste nog kaas hebben, en hoor daarom graag hoe ze zich te weer zal stellen.

Op twee punten die me zijn opgevallen uit het begrotingsdebat aan de overzijde, punten die me erg aan het hart gebakken zitten wil ik iets uitgebreider ingaan.

In de eerste plaats, het punt van de ‘Reproductive Health’ – een verzamelterm voor alles wat met voortplanting en seks te maken heeft: veilige bevallingen, kinderen die gewenst zijn, verkrijgbaarheid van voorbehoedmiddelen en voorlichting, bescherming tegen seksueel overdraagbare aandoeningen waaronder hiv/Aids, veilige abortus wanneer het niet anders kan. En dus: gelijkwaardige relaties tussen vrouwen en mannen, want waar vrouwen geen zeggenschap hebben over hun leven hebben ze dat ook niet over hun vruchtbaarheid. Ook gaat het om aandacht voor het seksuele gedrag van de jeugd. Reproductive health heeft dus alles te maken met de armoede in de wereld, want ouders met meer kinderen dan ze aan kunnen kunnen hun nageslacht niet voldoende voeden en van een opleiding voorzien, en vrouwen die hun hele leven in de kinderen zitten kunnen daarnaast zelden betaald werk verrichten. Reproductive health is dus wereldwijd een centraal thema in de ontwikkelingssamenwerking. Daar waren de deelnemers op de internationale conferentie op 21 november j.l. waar 146 organisaties uit 17 landen aanwezig waren, en waar ik onze minister ook tegen kwam het gloeiend met elkaar over eens.

In Cairo, in 1994, werd op de VN Wereldbevolkingsconferentie een mijlpaal gezet. Na moeizame beraadslagingen werden 179 regeringen en honderden NGO’s uit de hele wereld het eens over een actieprogramma met concrete doelen. Moeizaam, omdat alles wat met familyplanning en de verhouding tussen de seksen en het seksuele gedrag van jongeren te maken heeft op veel taboes en culturele en religieuze weerstanden stuit. In veel landen is de gedachte dat vrouwen zeggenschap horen te hebben over hun eigen vruchtbaarheid, en dat je jongeren niet tegen kunt houden om zich seksueel te gedragen nog onacceptabel. Tegelijk is de realiteit niet te ontkennen: ontwikkelende landen kampen met een veel te snelle bevolkingsgroei, en de verschrikkelijke Aidscrisis heeft vele regeringen wakker geschud.

Waar de actieprogramma’s zijn geïmplementeerd zijn grote successen geboekt. Maar er zijn ook ernstige tegenslagen. De Aidscrisis is veel erger dan wie dan ook destijds had kunnen vermoeden. En ook is de tegenstand groot. Bij de implementaties van de programma’s hebben we een paar geduchte tegenstanders: fundamentalistische stromingen in Islamitische landen, en de fundamentalistische stromingen binnen ons eigen deel van de wereld, met name het Vaticaan, en niet in de laatste plaats de regering Bush.

Direct bij het aantreden van Bush bleek dat de nieuwe regering een opvatting heeft die haaks staat op de al bereikte consensus. Bush herstelde onmiddellijk de zogenaamde Mexico City regeling, eens door Reagan ingesteld en door Clinton weer afgeschaft, waarin bepaald wordt dat organisaties die zich in woord, geschrift of daad met abortus bezighouden geen Amerikaans geld krijgen. Dat gaat ver. Zelfs in landen waar abortus legaal is mogen organisaties geen voorlichting geven, niet doorverwijzen en niet pleiten voor een betere abortuswet, laat staan zich zelf bezig houden met abortushulpverlening. Dat had grote gevolgen voor organisaties in ontwikkelingslanden die zich de wet niet voor laten schrijven, die raakten behalve financiële bijdragen ook de voorbehoedmiddelen kwijt, de pillen en condooms die door de VS werden verstrekt. Met voorspelbare gevolgen: meer abortussen. De regering Bush zette vervolgens de subsidie aan het UNPFA (het bevolkingsfonds van de VN) stop. Dat kostte het Caïro programma 34 miljoen dollar per jaar. Bush draaide zijn hand er ook niet voor om om landen die van de Amerikaanse ontwikkelingshulp afhankelijk zijn onder druk te zetten om hun bijdrage in te trekken.

De gevolgen zijn behoorlijk dramatisch. Doordat maar 45% van de toegezegde bijdragen op tafel kwam is een deel van het programma niet uitgevoerd. Moedersterfte is nog steeds een groot probleem (een half miljoen doden per jaar door zwangerschap en bevalling). De jeugd blijft kwetsbaar; tweederde van de nieuwe Hiv/Aids besmettingen betreffen jongeren tussen de 15 en 24 jaar.
Stirling Scruggs, directeur van het UNFPA heeft berekend dat het schrappen van het Amerikaanse budget van 34 miljoen dollar neerkomt op 2 miljoen zwangerschappen die vermeden hadden kunnen worden, 800.000 abortussen, 4700 gevallen van moedersterfte en vele duizenden gevallen van kinder- en zuigelingensterfte. Er vallen dus niet alleen doden in Irak en in Gaza.

Nederland slaat tussen de andere donorlanden geen slecht figuur. We horen bij de vier landen aan de top die zich aan de verplichtingen gehouden hebben. Daarom bevreemd het me dat de minister heeft besloten de subsidie aan UNIFEM, de organisatie van de VN die zich inzet voor de gelijkwaardigheid van vrouwen af te bouwen. Ik heb haar argumentatie daarover met aandacht bestudeerd. Haar argument is dat de emancipatie van vrouwen een integraal onderdeel moet zijn van de grotere, algemene organisaties. Op zich zijn we het daar over eens. Maar mijn jarenlange ervaring in de organisaties van de vrouwenbeweging hier hebben me er van doordrongen dat de zogenaamde gendermainstreaming altijd tekort zal schieten wanneer er geen organisaties naast staan die visie ontwikkelen, expertise ontwikkelen en als waakhond functioneren. Dat is dus wat anders dan als ‘excuus-Truus’ te fungeren – ik citeer nu de minister. Zeker kan van UNIFEM gevraagd worden om beter hun best te doen om een voet tussen de deur te krijgen van de grote organisaties zoals UNDP of UNHCR, en kunnen we de organisaties zachtjes onder druk zetten om die inbreng te accepteren. Maar om een dergelijke organisatie af te bouwen voordat die mainstreaming luid en duidelijk zichtbaar is, en er garanties zijn voor borging, komt neer op kapitaalvernietiging. Een kwestie van pennywise and poundfoolish, in mijn opvatting. Ik weet dat de minister blij is met elke post waar in gesneden kan worden, maar ik zou graag met haar in discussie willen of dit de juiste is.

Mijn volgende punt van grote zorg is het feit dat UNRWA, de vluchtelingenorganisatie van de VN in de Palestijnse vanaf december 2003 geen enkele noodhulp van Nederland meer heeft ontvangen, nadat we in de voorafgaande jaren genereus bij de top vijf hoorden. Ik denk dat de minister ten tijde van de begrotingsbehandeling aan de overzijde hierover niet goed is geïnformeerd, want zij zei dat UNRWA evenveel hulp had ontvangen als daarvoor. Dat betreft de reguliere hulp, niet de noodhulp.

Ik hoef de aanwezigen hier niet opnieuw te wijzen op de humanitaire ramp die er op dit moment in de Palestijnse gebieden plaats vindt, we zijn er in de afgelopen weken haast dagelijks mee geconfronteerd. Al geruime tijd is de werkloosheid stijgende, in de Gazastrook leeft meer dan 60% van de mensen onder de armoedegrens van twee dollar per dag. En misschien moet ik u er op wijzen dat het geen zogenaamd Derde Wereld land is. De prijzen van de consumptieartikelen die grotendeels via Israël moeten worden geïmporteerd zijn even hoog als hier. De armoede daar is geen natuurlijke, maar een kunstmatig geschapen armoede, wat de econoom Sara Roy betitelt met een onvertaalbare term: de-development.
De ondervoeding onder kinderen groeit. Het is nog geen hongersnood die te zien is aan bolle buikjes en mensen die dood omvallen, althans, niet van de honger. Maar ik zie op elk bezoek de ouders in langere rijen bij de consultatiebureau’s staan met kinderen die in ontwikkeling achterblijven omdat ze lijden aan de gevolgen van eenzijdige voeding, vitaminedefficientie en een tekort aan proteïne.

De UNRWA is ruimschoots de belangrijkste organisatie bij het verlenen van directe voedselhulp, naast, op dit moment, onderdak, medische hulp en water voor dakloos geworden burgers. Bij alle normen die we aanleggen doen ze het uitstekend: transparantie van besteed geld, grote zuinigheid bij het aankopen van voedsel, en uitgerekend zij leggen er grote nadruk op dat alleen bij uitzondering gebruik gemaakt wordt van buitenlandse arbeid. Mocht het ooit, insha’Allah, komen tot een onafhankelijke Palestijnse staat, dan kan de UNRWA een complete infrastructuur aan onderwijs, primaire medische hulp achter, inclusief duizenden getrainde Palestijnse arbeidskrachten overdragen.

De bevolking van de Gazastrook bestaat voor driekwart uit mensen met vluchtelingenstatus. Vorig jaar kon de UNRWA iedere familie die het echt nodig had maandelijks voorzien van een sober voedselpakket van rijst, linzen en bakolie, en melkpoeder voor de kinderen. Dit jaar, nadat Nederland de noodhulp heeft gestaakt, is dat noodgewongen terug gelopen naar een voedselpakket per 45 dagen. Ik mag u er op wijzen dat de enige grote charitatieve instelling waar de bevolking nog heen kan als de UNRWA tekort schiet Hamas is. Dat de UNRWA de hulp heeft moeten verminderen ligt natuurlijk niet alleen aan Nederland, andere landen zijn ook op het gebied van de reguliere bijdrage minder betrouwbaar dan Nederland, en er komt geen kwaad woord over Nederland over de lippen van de UNRWA vertegenwoordigers die ik daar ken. Maar toch. Juist nu is dit niet de plek om te bezuinigen.

Het gaat daarbij niet alleen om heel letterlijk mensen te helpen om te overleven. Het gaat ook om het signaal dat we afgeven. We bevinden ons hier in wat we de chambre de reflexion heet, en misschien staat u het me daarom toe om even een grote gedachtenvlucht te maken. Ik heb Gerard Durlacher gekend, de schrijver van Strepen aan de hemel, die als jonge man Auschwitz heeft overleefd, en die inmiddels is overleden. Hij vertelde me dat het ergste in dat kamp niet eens was wat mensen elkaar aan konden doen. Maar op een dag zag hij de verkennersstraaljagers over het kamp vliegen – strepen aan de hemel – en hij dacht: nu hebben ze het gezien, nu weten ze het, nu komt er hulp. Waarna het nog vele maanden en vele doden duurde voordat hij werd bevrijd. Ik wil geen onzindelijke vergelijkingen maken. Edward Said heeft eens gezegd: de vraag wie meer heeft geleden of meer heeft verloren is onfatsoenlijk. Waar het me om gaat is dat er niets zo diep traumatiserend is, en zulke diepe wonden slaat als het gevoel dat de hele onverschillige wereld toekijkt en het maar laat gebeuren. Ik denk dat er geen enkele andere factor zo veel bijdraagt aan de wanhoop en de groei van extremisme en toenemend geweld als het gevoel dat de rijke westerse wereld niet langer geïnteresseerd is of ze het wel overleven. Dus ja, ik ben er van overtuigd dat er een directe relatie is tussen welzijn en veiligheid. Het ligt in ons vermogen om er in ieder geval voor te zorgen dat er te eten is – er is nog meer te doen, maar dat valt nu even buiten het bestek van de Ontwikkelingssamenwerking, en er zal morgen aan de overzijde over gedebatteerd worden, en met die voedselhulp laten we zien dat we een burgerbevolking in nood niet letterlijk en figuurlijk laten creperen. Ik wil de minister dus op haar hart drukken om opnieuw te kijken naar de mogelijkheid om binnen het budget van OS de noodhulp te hervatten, en te beseffen dat noodhulp in sommige gevallen meer is dan dweilen met de kraan open.

Ik heb met het voorbeeld van Gaza natuurlijk in de eerste plaats willen pleiten voor een zaak die me persoonlijk erg aangaat. Maar ik hoop dat het duidelijk is dat het model kan staan voor wat we met het instrument dat we in handen hebben zouden kunnen en zouden moeten doen, ook als het andere volken betreft. Want ook elders zien mensen in grote nood strepen aan de hemel en rekenen op een signaal dat hun nood wordt gezien. Ik weet dat ook bij ons de bomen niet in de hemel groeien, maar we weten wat er wereldwijd gebeurt en dus moeten we handelen.
Om die reden dien ik een motie in, waarin aangedrongen wordt op heroverweging om de noodhulp aan de UNRWA in Gaza te hervatten. Ik beveel het u warm aan- ik ken de mensen die er van zullen profiteren, ik weet hoe veel het voor ze zal betekenen, ze hebben er recht op.

3 gedachten over “Geen noodhulp voor Gaza

  1. Beste Anja,

    Luisterde zondagmorgen
    naar de IKON (als zeer vroege vogel) en las nu je website. Alle bewondering voor de beheerste manier waarop je e.e.a. weet te brengen, terwijl je toch zo nu en dan zult “koken”. Fijn dat je niet overkookt. Ben er trots op je partijgenote te zijn

    Fesje (met het B-t- shirt)

  2. Lieve Anja, moeten we /willen we leren leven met kleine stapjes en niet altijd zichtbare resultaten? Belangrijkste is toch dat je trouw blijft aan jezelf en dat is gebeurt dinsdag.Ik ben trots op je en uiteindelijk zal gerechtigheid zegevieren! Liefs tineke

Reacties zijn gesloten.