De toekomst van Gaza

Door Sara Roy
London Review of Books
vertaling Anja Meulenbelt

(Noot van de vertaalster vooraf: dit artikel is geschreven voor de verkiezingen in Palestina, en het aantreden van een door Hamas geleide regering. Waar in het stuk sprake is van het Palestijns gezag gaat het nog om de vorige, door Abbas en Fatah geleide overheid.)

Afgelopen april zei President Bush dat de Israëlische terugtrekking uit Gaza de stichting van een ‘democratische staat in de Gaza’ mogelijk zou maken en de deur zou openen naar democratie in het Midden Oosten. Columnist Thomas Friedman was daar nog explicieter over, hij stelde dat ‘het voor de Palestijnen niet langer de kwestie meer is hoe ze de Israëlische bezetting van Gaza kunnen bestrijden, maar hoe ze een fatsoenlijke ministaat op kunnen bouwen – een Dubai aan de Middellandse Zee. Want als ze dat doen, dan zal dat het Israëlische debat of het grootste deel van de Westoever aan de Palestijnen over gedragen kan worden wezenlijk gunstig kunnen beïnvloeden’.

Impliciet in deze uitspraken is de aanname dat de Palestijnen de vrijheid hebben om hun eigen democratie te bouwen, dat Israël uiteindelijk bereid zal zijn (of in ieder geval de mogelijkheid wil overwegen) om de Westoever af te staan, dat Israëls ‘terugtrekking’ de Palestijnse positie zal versterken in de onderhandelingen daarover, dat de bezetting beëindigd zal worden of er niet meer toe zal doen, en dat de vergaande ongelijkwaardigheid tussen de twee partijen meer zal worden rechtgetrokken. Daarom zou het Gaza Disengagement Plan, het plan waarbij leger en nederzettingen ontmanteld werden in de Gazastrook, mits ‘naar behoren’ uitgevoerd, een werkelijke, en misschien zelfs de enige kans bieden om het conflict op te lossen en te komen tot een Palestijnse staat. Daaruit volgt dat het dan ook de Palestijnen zelf zijn die de verantwoordelijkheid hebben voor het slagen of falen van het Plan: als het ze niet lukt om in Gaza een ‘democratische’ of ‘fatsoenlijke’ ministaatje te stichten is het hun schuld als het Plan faalt.

Op dit moment leven meer dan 1,4 miljoen Palestijnen in de Strook: tegen 2010 zal het aantal dichtbij de twee miljoen liggen. Gaza heeft het hoogste geboortecijfer in de regio – tussen 5,5 en 6 kinderen per vrouw – en de bevolking groeit per jaar aan tussen de 3 tot 5 procent. Tachtig procent van de bevolking is onder de vijftig; vijftig procent is 15 jaar of jonger, en de toegang tot gezondheidszorg en onderwijs gaat hollend achteruit. De helft van het gebied, met de grootste concentratie van de bevolking, hoort bij de dichtstbevolkte ter wereld. Alleen al in het vluchtelingenkamp Jabalya is de bevolkingsdichtheid 74.000 mensen per vierkante kilometer, vergelijk dat met 25.000 in Manhattan.

Volgens de Wereldbank, gaan de Palestijnen op dit moment door de diepste economische depressie in de moderne geschiedenis, voornamelijk veroorzaakt door de aanhoudende Israëlische restricties die de handel vanuit Gaza dramatisch hebben verlaagd, en feitelijk het arbeidsleger heeft afgesneden van hun banen in Israël. Dit heeft geleid tot de ongeëvenaarde mate van werkloosheid, van 35 tot 40 procent. Ongeveer 65 tot 75 procent van de Gazanen leeft onder de armoedegrens (in 2000 was dat nog 30 procent), velen hebben honger.

In een Harvard onderzoek van 2004, werd berekend dat de groei van de Gazaanse bevolking het scheppen van 250.000 nieuwe banen noodzakelijk zou maken – alleen al om het huidige werkloosheidscijfer te handhaven. Bovendien dat er 2000 nieuwe klaslokalen en 100 klinieken nodig zullen zijn om het niveau van onderwijs en basale gezondheidzorg op hetzelfde niveau te houden als op de Westoever. Maar in het Disengagement Plan staat dat Israël de toegang van Palestijnen tot werk in Israël nog verder zal beperken en uiteindelijk geheel zal tegengaan. Hetzelfde onderzoek uit Harvard voorspelt dat het Gazaanse arbeidsleger in de nabije toekomst voornamelijk uit ongeschoolde en in toenemende mate analfabete mensen zal bestaan. Tussen 1997 en 2004 werd het aantal leerkrachten per leerling met 30 procent verlaagd, met 80 kinderen per klas in de overheidsscholen en 40 per klas in de scholen van UNWRA. (De scholen van de VN voor de Gazanen die als vluchteling staan geregistreerd, A.M.) De gemiddelde schoolresultaten van de kinderen zijn gedaald, en de meerderheid van de achtjarigen gaat niet over naar de volgende klas.

Volgens de normen van het Wereld Voedsel Programma (WPF) staat 42 procent van de Gazanen nu geboekt als ‘food insecure’, dat wil zeggen dat ze niet zeker zijn van voldoende veilig en gezond voedsel om een normale groei en ontwikkeling te garanderen; in vijf gebieden van Gaza komt dat cijfer boven de 50 procent. Daar bovenop bevind zich nog 30 procent van de bevolking in de gevarenzone van ‘food vulnerable’, dat wil zeggen dat ze een grote kans maken om ondervoed of ‘food insecure’ te raken.

Sinds 2000 zijn de Gazastrook en de Westoever een potentieel inkomen van ongeveer 6,4 miljard dollar misgelopen en hebben voor 3,5 miljard aan materiele schade geleden door de operaties van het Israëlische leger. Dit betekent, volgens de VN Conferentie voor Handel en Ontwikkeling dat ‘het bezette Palestijnse gebied eenvijfde van hun economische basis heeft verloren door oorlog en bezetting’. Toch zijn de auteurs van het Plan vol vertrouwen dat ‘het proces van terugtrekking zal dienen om de claim dat Israël verantwoordelijk is voor de Palestijnen in de Gazastrook weg te nemen.’ Zij nemen, met andere woorden, aan dat de recente misère een gevolg is van de afgelopen vijf jaar Intifada, de opstand tegen de bezetting, en dat het teruggeven van het land dat in beslag werd genomen door nederzettingen en militairen – ergens tussen de 15 en 30 procent van het gebied, en de verwijdering van 9000 kolonisten de situatie wel zal herstellen. Israels primaire verantwoordelijkheid voor de ellende en verval die al is ingezet sinds het in 1967 de Westoever en Gaza bezette wordt in het verhaal dus verdonkeremaand.

Het leidt geen twijfel dat de verwoesting die Israël de laatste vijf jaar heeft aangericht – de afbraak van woningen (tussen 2000 en 2004 waren dat ongeveer 4600 huizen), scholen, wegen, fabrieken, werkplaatsen, ziekenhuizen, moskeeën en groentekassen, de vernietiging van landbouwvelden, de ontworteling van bomen, het opsluiten van de bevolking en het belemmeren van de toegang tot onderwijs en gezondheidszorg door de Israëlische controleposten en wegafzettingen – vergaand schadelijk is geweest voor de Palestijnen, met name die in de Gazastrook. We hoeven alleen maar te kijken naar de stand van de economie aan de vooravond van de opstand om te weten dat de schade niet van recente datum is. In de tijd dat de tweede intifada losbarstte was de afsluitingspolitiek van Israël al zeven jaar van kracht, en leidde tot ongekende hoogte van de werkloosheid en armoede – die inmiddels nu dus verder is gestegen. Die afsluitingenpolitiek was alleen al daarom zo desastreus omdat de voorafgaande dertig jaar de Gazaanse economie vergaand geïntegreerd en afhankelijk gemaakt was van de Israëlische economie. Als gevolg daarvan waren toen de grenzen in 1993 dicht gingen de voorwaarden al niet meer aanwezig om een onafhankelijke plaatselijke economie te scheppen waarmee in eigen behoeften zou kunnen worden voorzien. Decennia aan onteigening, ont-institutionalisering hadden Palestina al veel eerder beroofd van de mogelijkheid zichzelf verder te ontwikkelen, en daarmee zeker gesteld dat er geen leefbare economische (en dus politieke) structuur zou kunnen ontstaan.

De schade, de ont-ontwikkeling van Palestina – kan niet ongedaan worden gemaakt door eenvoudig het land in Gaza ‘terug te geven’ en de Palestijnen bewegingsvrijheid binnen Gaza toe te staan naast het recht om er fabrieken en industrieterreinen te bouwen. Het vergroten van dat minieme reepje grond – of de toegang die de Palestijnen daartoe hebben – zal de veelvoud aan problemen niet oplossen als de groeiende bevolking daarbinnen opgesloten blijft. Bevolkingsdichtheid is niet alleen een probleem van hoeveelheden mensen maar van toegang tot economische bronnen, met name tot een arbeidsmarkt. Zonder doorlaatbare grenzen die werkers toegang geeft tot banen, een zaak die in het Disengagement Plan niet alleen niet wordt vermeld, maar actief wordt tegengegaan, zal de Strook in feite een gevangenis blijven zonder enige mogelijkheid om er een levensvatbare economie op te bouwen. Maar het is juist het tegenovergestelde idee – dat met de terugtrekking ook ontwikkeling mogelijk is – dat Israël probeert te promoten in de hoop niet langer verantwoordelijk te worden gesteld voor de verwoesting van Gaza, vroeger en nu.

Zelfs als we de basale verantwoordelijkheid voor de situatie waar Gaza zich nu in bevindt er buiten zouden laten, dan nog zal het Plan werkelijke ontwikkeling belemmeren. Volgens het Plan zal Israël zich terugtrekken uit de Gazastrook – op de honderd meter brede Philadelphi zone aan de grens met Egypte na – en het leger zal zich hergroeperen buiten de grenzen. Israël heeft er mee ingestemd om zich uit de Philadelphi zone terug te trekken en het over te laten aan de Egyptische militaire controle, maar over de voorwaarden wordt nog onderhandeld, en er is een sterke oppositie tegen in de Israëlische regering en het parlement. Vooruitlopend op de definitieve beslissing over de zone, is het Israëlische leger begonnen met de bouw van een muur van 12 kilometer die zal bestaan uit ‘acht meter hoge betonnen platen die makkelijk verwijderd kunnen worden.De nieuwe muur zal voorzien worden van observatieposten en een nieuwe weg voor zware militaire voertuigen aan de zuidelijke kant’.

Of Israël zich terug zal trekken uit de Philadelphi zone (of de Palestijnen controle zal toestaan over hun eigen haven en vliegveld, waar ook nog over gediscussieerd wordt) is uiteindelijk irrelevant. Want het Plan geeft Israël tegelijk het ‘exclusieve gezag’ over de luchtruimte van Gaza en de territoriale wateren, die neerkomt op volledige controle over het verkeer van personen en goederen in en uit de Strook. Israël zal ook, tegen de volle prijs, het alleenrecht hebben om elektriciteit, water, gas en benzine leveren aan de Palestijnen, onder de huidige voorwaarden. Israël zal voorts doorgaan met het innen van in- en uitvoerbelasting ten behoeve van het Palestijns Gezag (en kan dat dus ook op elk moment inhouden, zoals op dit moment gebeurt, A.M.) en de Israëlische shekel zal het Palestijnse betaalmiddel blijven. Verder is de Israëlische regering van plan om een nieuwe grenspost te bouwen op de plek waar Gaza, Israël en Egypte samenkomen, waardoor alle Palestijnse arbeiders en goederen Gaza alleen in- of uitkunnen via Israëlisch gebied. Israëls Ministerie van Buitenlandse Zaken houdt bovendien het alleenrecht op het afgeven van Palestijnse identiteitsbewijzen, en houdt de controle over het bevolkingsregister – met alle gegevens over wie er zijn geboren, overleden of getrouwd – en alle Palestijnen zijn verplicht geregistreerd bij het Israëlische ministerie. Het zou geen enkele zin hebben als het Palestijnse Gezag op eigen houtje Palestijnse identiteitsbewijzen uit zou gaan geven aangezien Israël de controle houdt over alle internationale grensovergangen en ook over de bewegingsvrijheid van de Palestijnen op de Westoever.

Wat betreft de grens die de Gazastrip scheidt van Israël is een tweede muur al in aanbouw. Die wordt gebouwd aan de zuidkant van de bestaande muur en schept een bufferzone om de Strip heen van 70 kilometer lang en enkele honderden meters breed. De muur zal worden versterkt met optische en elektronische sensoren die elke poging om de muur over te komen zullen registreren. ‘Dat zal er voor zorgen dat we het illegale binnendringen van de Palestijnen uit Gaza kunnen voorkomen’ zei een woordvoerder van het Israëlische leger. ‘ We nemen een toename waar van illegale pogingen door de grens van Gaza heen te komen, hoewel dat voornamelijk arbeiders zijn die proberen werk te vinden en geen terroristen’.

Er wordt in het Disengagement Plan met geen woord gerept over een verbinding tussen Gaza en de Westoever, hoewel er enige discussie is geweest over een treinverbinding tussen de twee gebieden. In het Oslo Verdrag stond dat de Westoever en de Gazastrip op te vatten zijn als een ‘territoriale eenheid’, maar het ziet er naar uit dat Israël niet van plan is om een werkelijke verbinding voor verkeer tussen de gebieden toe te staan. Als het Plan wordt uitgevoerd is de bevolking van Gaza feitelijk omsingeld en afgesloten, en het uiteenrijten van de Palestijnse bevolking, al lang de hoeksteen van het Israëlische bezettingsbeleid, is daarmee een voldongen feit.

Het deel van het Plan dat gaat over de Westoever stelt voor om vier van de 120 joodse nederzettingen in een gebied ten noorden van Nablus te evacueren, om de vrije doorgang voor de Palestijnen daar te garanderen. Maar in juli besloot het Israëlische veiligheidskabinet al dat Israël ‘de veiligheidscontrole rond de vier nederzettingen op de Westoever en de militaire bases in het gebied wil handhaven’. In andere gebieden op de Westoever, zal Israël ‘assisteren bij het verbeteren van de infrastructuur voor transport teneinde de doorgang van het Palestijnse verkeer mogelijk te maken’. Deze ‘vrije doorgang’ zal moeten voldoen aan de volgende voorwaarden.

1. Een geplande muur van 620 kilometer (waarvan 205 kilometers al zijn gebouwd) opgetrokken uit betonnen platen van negen meter hoog en ondoordringbare hekken, gebouwd op het in beslag genomen land van de Westoever, waardoor op dit moment tien procent van alle Palestijnen, 242.000 mensen – geïsoleerd zijn in afgesloten militaire zones tussen de grens met Israël en de westelijke kant van de muur, en 12 procent intern zijn afgesloten van hun bouwland door de kolonistenwegen en de huizenblokken van de nederzettingen. Op zijn best zullen de Palestijnen nog toegang hebben tot 54 procent van hun land op de Westoever wanneer de muur af is.

2. Negenentwintig snelwegen voor kolonisten en ‘bypass roads’ over een totale lengte van 400 kilometer, die met opzet worden gebouwd om de bewegingsvrijheid voor de 400.000 joodse kolonisten te garanderen, en tegelijk drie miljoen Palestijnen in omsingelde en geïsoleerde enclaves op te sluiten.

3. Veertig geplande tunnels op de Westoever (waarvan er 28 inmiddels klaar zijn, vergeleken met de zeven die er een jaar geleden waren) die de joodse nederzettingen met elkaar en met Israël verbinden.

4. De geplande bouw van 6400 nieuwe kolonistenhuizen op de Westoever. Minstens 42 nederzettingen worden uitgebreid en scholen, universiteiten, hotels, winkelcentra en bedrijfsruimte en parken worden toegevoegd.

5. De afgrendeling van Oost Jeruzalem – het commerciële en culturele hart van de Westoever – waardoor het onbereikbaar wordt vanuit Ramallah, Bethlehem en de rest van de Westoever.

6. Het van elkaar afscheiden van het noorden en het zuiden van de Westoever, en de afgrendeling van Gaza, Hebron, Bethlehem, Ramallah, Jericho, Tulkarm, Kalkiliya, Salfit, Nablus en Jenin.

Het Plan maakt een einde aan elke hoop op een aaneengesloten territoriale en nationale eenheid van het Palestijnse gebied, en kan alleen bijdragen aan de geleidelijke ontvolking ervan die met het Oslo proces is ingezet. Maar net als destijds met Oslo, Camp David en Taba, wordt het Plan zelden op deze punten kritisch bekeken, en wordt de ware gang van zaken verzwegen.

Wat het ook beweert te zijn, het Gaza Disengagement Plan is in wezen een instrument in de verdergaande annexatie van de Westoever, en verdere inlijving van Palestijns land bij Israël. Wie de moeite neemt om het te ontcijferen kan al deze gegevens in het Plan zelf vinden, waarin duidelijk staat dat ‘er in welke toekomstige overeenkomst over de definitieve status dan ook geen Israëlische steden of dorpen meer aanwezig zullen zijn in de Gazastrip. Aan de andere kant’ – en hier is Israël ongebruikelijk transparant – ‘is het duidelijk dat er gebieden op de Westoever zijn die deel uit zullen maken van Israël, inclusief de belangrijkste Israëlische bevolkingscentra, steden, dorpen, veiligheidszones en andere plaatsen die van specifiek belang zijn voor Israël.’ Bij mijn weten is dit de eerste keer dat de formele annexatie van het land van de Westoever zo expliciet en officieel op papier staat. Overal, behalve in het vrijgegeven deel op de noordelijke Westoever kan de Israëlische kolonisatie ongehinderd voortgaan. Of het nou de Arbeidspartij was of Likud, Israël is altijd doorgegaan met een ‘zero-sum’ strijd om de controle over Palestijns land op de Westoever, en met het Gaza Disengagement Plan ziet het er naar uit dat Israël daar geheel in zal slagen. In plaats van de weg vrijmaken naar meer concessies en terugtrekkingen, staat deze unilaterale ‘terugtrekking’ voor een consolidatie van de Israëlische controle, en staat garant voor verdere onderdrukking van de Palestijnen, voor hun isolement en gettoisering. Hoe, met al deze gegevens, zou het huidige plan gezien kunnen worden als een politiek vertrekpunt, als een bewijs van Israëlische moed of grootmoedigheid, zoals velen beweren? Waarom zou ‘terugtrekking’ beschouwd moeten worden als een kans, of een opening van vastgelopen verhoudingen, laat staan als een beslissend keerpunt?

De internationale gemeenschap, met de VS voorop, zouden het Disengagement Plan op willen laten gaan in de Road Map, omdat ze graag willen geloven dat het de eerste stap is op weg naar een leefbare Palestijnse staat naast Israël. Maar onder de voorwaarden van de ‘terugtrekking’ blijft de Israëlische bezetting bestaan. Gazanen zullen opgesloten en afgegrendeld leven tussen de onder stroom staande hekken van de Strip, terwijl de Palestijnen van de Westoever, hun land uit elkaar gerukt door de meedogenloze Israëlische kolonisatie ingesloten zullen zijn in gefragmenteerde ruimtes, geïsoleerd achter en tussen muren en andere barrières. Ondanks deze verschrikkelijke realiteit is de term ‘bezetting’ geschrapt uit het politieke woordenboek. Mahmoud Abbas, de president van het Palestijnse Gezag en de architect van Oslo, gebruikte het woord ‘bezetting’ nooit in een van de voorstellen die hij meehielp te schrijven. Toch was het de discrepantie tussen de bedekte belofte dat het Oslo verdrag een einde zou maken aan de bezetting en de realiteit die er voor in de plaats kwam die leidde naar de tweede Palestijnse volksopstand. Tijdens de topconferentie van Sharm-el-Sheikh werd de term ‘bezetting’ opnieuw niet genoemd.

De definitieve versie van het Gaza Disengagement Plan heeft het er ook niet over, maar de originele versie van 18 april 2004 is heel expliciet over een van de belangrijkste doelen: na de voltooiing van de ontruiming van de nederzettingen, zegt het Plan, ‘is er geen basis meer voor de bewering dat de Gazastrook bezet gebied is’. De omissie van deze passage in het herziene plan van 6 juni 2004 wijst niet op een verandering in de Israëlische prioriteiten. Integendeel, een van de opvallendste elementen van de onthullende technocratische analyse van het Plan, door Geoffrey Aronson, uitgevoerd in opdracht van een internationale donororganisatie en gebaseerd op een serie interviews met Israëlische kopstukken, is Israëls obsessieve poging om zichzelf te ontdoen van het etiket van bezetter van de Gazastrip.* Het lijkt er op dat het in werkelijkheid gaat om het binnenhalen van internationale goedkeuring, hoe stilzwijgend ook, met de volledige controle van Israël over de Westoever – en daarbij vervolgens over Jeruzalem – terwijl de controle over de Gazastrook behouden blijft in een andere vorm.

Het is mogelijk dat het Israël voor de eerste keer gaat lukken om met de druk van de internationale donorgemeenschap, de Palestijnse medewerking te verkrijgen voor wat ze aan het doen zijn. Het Disengagement Plan kan gezien worden als weer een nieuwe stap in een lange reeks Israëlische pogingen om de Palestijnen eindelijk zo ver te krijgen als altijd al de bedoeling was, in een positie van volledige capitulatie aan Israël, onderworpen aan Israëlische commando’s, en dat gecombineerd met een legitimatie van de Israëlische operaties voor de buitenwereld. Dit is wat Ehud Barak eiste van Jasser Arafat tijdens Camp David in juli 2000 toen hij aandrong op een ‘dit is het einde van het conflict’ clausule, en dit is waar Sharon, op zijn eigen wijze op aandrong: een vrijwel totale overgave aan de dienstbevelen van Israël en de verstikkende realiteit die daarmee geschapen werd – geformaliseerd in een plan waarin de orders van bovenaf ook nog als gerechtvaardigd werden erkend. Tragisch genoeg ziet ook het Palestijnse leiderschap (onder Abbas, A.M.) het Gaza Disengagement Plan als een eerste stap in de richting van de hervatting van politieke onderhandelingen die zouden moeten leiden naar de ‘final status’, en weigert onder ogen te zien dat de ontruiming van Gaza de ‘final status’ is en de bezetting niet zal beëindigen.

Wat de internationale gemeenschap betreft – met name de buitenlandse donororganisaties – is hun aandacht bijna geheel gericht op de ‘wederopbouw’ van de Gazastrook, een blikrichting die ons op pijnlijke wijze herinnert aan een paar van de fouten van de Oslo periode. Dezelfde drie foutieve aannames van toen spelen ook nu een rol: ten eerste, dat de al bestaande infrastructuur van de bezetting – Israëlische controle en Palestijnse afhankelijkheid – verzacht of misschien zelfs opgeheven zullen worden. Ten tweede, dat de terugtrekking uit de Gazastrook het effect zal hebben op de prioriteiten van zowel Israëli’s als Palestijnen, en dat die verschuiven van issues als veiligheid en territorium naar de economische handelsbetrekkingen en de economische wederzijdse belangen van de twee staten. En ten derde, dat de vernieuwingen in het denken over economische samenwerking zal leiden naar politieke stabiliteit en vreedzame co-existentie in het Midden Oosten.

Deze aannames bleken in de nasleep van Oslo geheel ongegrond te zijn (toen er, tenminste aanvankelijk, nog sprake was van enig bilateralisme en samenwerking), waarom zou er nu dan hoop zou zijn op iets beters, en dat met een unilateraal ‘disengagement plan’ dat er niet eens een geheim van maakt dat het gaat om een dictaat, een van boven af opgelegde regeling, in een tijd waarin de infrastructuur van de bezetting en de controle bovendien nog veel dieper zijn verankerd dan toen? Volgens deze gegevens, en het doel van het Plan om ‘het aantal Palestijnse werkers dat naar Israël komt te reduceren tot een absoluut nulpunt’, is er elke reden om aan te nemen dat de Israëlische autoriteiten van plan zijn om economische druk op te voeren niet alleen om de heerschappij te handhaven, maar ook om politieke concessies af te dwingen, net zoals ze dat deden tijdens de Oslo periode. Ondanks dat – en misschien juist daarom – zijn internationale donororganisaties opnieuw niet bereid om de confrontatie met Israël aan te gaan over de bezetting, en geven er de voorkeur aan om de schade te beperken door de Palestijnen te helpen deze onrechtvaardige situatie vol te houden, wat hun persoonlijke bedenkingen ook mogen zijn. In zo’n verwrongen situatie, en in de afwezigheid van welke doorslaggevende kritiek op de Israëlische bezetting dan ook, zal internationale hulp de armoede niet wegnemen, maar die hoogstens moderniseren. Daarmee zal de ontwikkelingshulp, ondanks het doorslaggevende belang ervan – de infrastructuur van de bezetting versterken door die eenvoudigweg te negeren. Hoe kan Palestina, gegeven dit scenario, ooit een productieve maatschappij worden?

Met een internationale gemeenschap die ontzettend graag van het Israelisch-Palestijnse conflict af wil, wordt de verdergaande onteigening van het Palestijnse gebied gezien als een prijs die nu eenmaal voor de vrede betaald moet worden, in plaats van als de reden voor het conflict. Zo gedefinieerd, wordt de legitimiteit van de Palestijnse kwestie, tenminste voor sommigen in de internationale gemeenschap, niet meer afgemeten aan de morele rechtvaardigheid van de Palestijnse zaak, wat versterkt wordt vanwege de Palestijnse bereidheid om in te stemmen met voorwaarden die geheel of voornamelijk door Israël zijn opgelegd. Kortom: met het Disengagement Plan, wordt de Palestijnse eis op een minimale rechtvaardigheid in de vorm van 22 procent van hun oorspronkelijke land, eens afgewezen als utopisch, nu afgewezen als kortzichtig en zelfzuchtig. De asymmetrie tussen de partijen, tussen de partij die bezet en de partij die bezet wordt, wordt niet alleen gesanctioneerd, maar de verdere institutionalisering ervan wordt ook nog gezien als vooruitgang. Zoals bij de voorlopers van de verdragen, wordt ook het Disengagement Plan gevierd als een moedige daad, als weer een nieuw bewijs dat Israël werkelijk vrede wil, als een bereidheid om concessies te doen en offers te plegen zonder hetzelfde te eisen van de Palestijnen. Die daarbij gezien worden als de werkelijke agressors, die keer op keer de uitgestoken hand van Israël hebben afgeslagen.

Wat het ontruimingsinitiatief duidelijk maakt, meer dan Oslo heeft gedaan, is het feit dat Israël in werkelijkheid onderhandelt met de Verenigde Staten, en niet met de Palestijnen, over de vraag hoe ver ze kunnen gaan in de onteigening van Palestina. Ondanks de beloftes van Bush aan Abbas over de contouren van een Palestijnse staat en hoe die er moet komen, zullen de VS uiteindelijk, zoals ze altijd hebben gedaan, accepteren wat Israël wil en doet. Volgens Aaron Miller, een voormalige vertegenwoordiger van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken die nauw betrokken was bij het vredesproces in het Midden Oosten, was er gedurende zijn vijfentwintig jaren in de regering nooit sprake van ‘een eerlijke discussie over wat de Israëli’s aan voldongen feiten voorlegden. Noch waren we bereid om Israël verantwoording te vragen voor de kosten van hun acties, althans niet de afgelopen zeven of acht jaar.’

Als laatste heeft het unilateralisme nog een ander, subtieler effect dat te maken heeft met het uitgangspunt voor de onderhandelingen. Een eigen geschiedenis, waar Israël en het joodse volk zich zo hardnekkig aan vastklampen, wordt de Palestijnen ontzegd. Elke referentie aan de historische gebeurtenissen vanuit de Palestijnen bekeken, elke poging de eigen geschiedenis te schrijven, wordt aangeklaagd als obstructionisme. Dat de Palestijnen al bereid waren tot een historisch compromis, in 1988 – toen ze bereid waren om 78 procent van hun land op te geven, het land waar ze eens tweederde van de bevolking uitmaakten en op 7 procent na al het land in eigen bezit hadden – en zich neer te leggen bij een staat op de Westoever en de Gazastrook, is geheel vergeten en wordt nu afgewezen als een legitiem uitgangspunt voor onderhandelingen. In plaats daarvan worden de Palestijnen geacht om elke keer opnieuw de onderhandelingen te beginnen vanaf het punt dat Israël (met rugdekking van de VS) hen voorschrijft. Het resultaat van het ‘aanbod’ dat steeds verder krimpt, is dat een compromis steeds minder haalbaar, zo niet onmogelijk wordt, en de kans op herhaald geweld van Palestijnse zijde daarmee groter. Met het Gaza Disengagement Plan, is Israëls ‘genereuze aanbod’ veranderd van een zwakke, in kantons uiteenvallende eenheid op de Westoever en in de Gazastrip, tot een omsingelde en wanhopig verarmde enclave op de Gazastrook – 1 procent van het historische Palestina. De terugtrekking uit de Gazastrook (die gepaard ging met de omsingeling ervan en de annexatie van de Westoever) is het meest extreme voorbeeld tot op heden van Israel s macht om te bepalen en te beperken wat er nog over is om over te praten.

De weken sinds de terugtrekking van de laatste soldaat uit de Gazastrook zijn getekend door toegenomen geweld. Bijna dagelijks waren er gevechten tussen het Palestijns gezag en Hamas, Fatah en Hamas, en de vele clans, verzetsgroepen, milities en veiligheidsdiensten. Niet sinds de verschrikkelijke periode vlak voor het tekenen van de Oslo overeenkomsten in 1993, toen de interne controle dramatisch was verzwakt, hebben de Gazanen zulke angstaanjagende onveiligheid gekend.

Hoewel de terugtrekking niet heeft geleid tot het ineenstorten van de Palestijnse samenleving, noch van de desintegratie van de Palestijnse politiek, is de situatie wel degelijk verslechterd, dankzij Israël s besluit om de bezetting te ‘hervormen’ zonder die te beëindigen – dat wil zeggen, de externe controle te handhaven terwijl de interne controle werd overgedragen. Daarmee werd een vacuüm gecreëerd dat nu gevuld wordt met rivaliserende interne krachten. Zoals Darryl Li van Harvard schrijft, ‘het “dilemma” is nu om de controle over het territorium van de Gazastrip te maximaliseren terwijl ondertussen de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de bevolking in de ogen van de wereld wordt geminimaliseerd. Het eindresultaat is een situatie waarin Israël minder directe controle uit hoeft te oefenen als voorheen, en er tegelijkertijd wordt verhinderd dat iemand anders het werkelijke gezag over kan nemen.’

Er zijn twee dingen noodzakelijk op korte termijn: de problemen oplossen tussen het Palestijnse Gezag en Hamas, en ook formeel de controle te krijgen over de elkaar bestrijdende politieke groeperingen en veiligheidsdiensten. Die beide problemen zullen niet makkelijk worden opgelost zolang Israël zijn macht over de Westoever verstevigt (en het Palestijnse Gezag niet in staat is om dat tegen te gaan) door middel van de uitbreiding van de nederzettingen, de muur, de verdergaande confiscatie van land en de de-Arabisatie van Jeruzalem – en, wil ik er aan toevoegen, de politieke situatie in Israël waarbij 39 procent van de Arbeidspartij Sharon wel aan het hoofd wil zien van hun partij, en 46 procent bereid zou zijn om een nieuwe door hem geleide partij te steunen.

Het Palestijnse Gezag, wiens macht en geloofwaardigheid sinds 2000 vergaand zijn ondermijnd door Israëls vernietiging van diens infrastructuur en veiligheidsdiensten, evenals door zijn eigen wanbeleid, corruptie en onvermogen om een visie te ontwikkelen op het bouwen van een staat of ontwikkelen van de samenleving, is niet in staat en niet bereid om werkelijke verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen bevolking. Laat staan om de verschillende politieke groeperingen aan zich te binden – die hun eigen macht willen vergroten door de PA en de rechtsstaat te ondermijnen, noch in staat zijn om een politieke agenda te ontwikkelen waarmee Israël en de VS geconfronteerd kunnen worden.

Israël en de Verenigde Staten maken zich zorgen dat de islamisten de zaak over zullen nemen. Maar de werkelijke dreiging ligt dieper, in de sluipende besluiteloosheid, de machteloosheid van gezinnen en gemeenschappen, de morele desintegratie. Kan het Gaza Disengagement Plan, met zijn vooruitzicht van beperkte en van buiten af gecontroleerde autonomie hier iets ten gunste aan veranderen? Voor de Palestijnen is de roof van hun land altijd de belangrijkste kwestie geweest die de Israëlische bezetting onderscheidde van de voorafgaande bezettingen. Door nu nog zoveel meer van de Palestijnen af te nemen dan bij elk voorafgaand voorgesteld verdrag sinds de bezetting begon, zal het Disengagement Plan rampzalig blijken te zijn voor iedereen, inclusief voor Israël.

Voetnoot *
Zie www.fmep.org/analysis/articles/issues_arising.html

Een gedachte over “De toekomst van Gaza

  1. Het is onthutsend en verschrikkelijk dat de westerse wereld dit niet wil weten. Het is ook onthutsend dat veel christelijke groeperingen in Nederland Israël onvoorwaardelijk steunen. Ik ben nog weer blij dat ik de folder van de overheid over de “terreur dreiging” bij het oud papier heb gedaan. Wij steunen het staatsterrorisme van de V.S. en Israël en dan is zo’n folder huichelarij.

Reacties zijn gesloten.