De jeremiade van Uri Avnery

img101.jpg

Je bent een sabra, een in Palestina/Israël geboren jood, je bent een zionist in hart en nieren, die in 1948 vocht voor zijn land en daarbij gewond raakte, en dan moet je aanzien wat er van je land is geworden. Dov Yermiya heeft het gehad met Israël en het zionisme. Op zijn vijfennegentigste neemt hij plechtig afstand van wat in zijn ogen een ‘fascistische joodse staat’ is geworden en stuurt een brief naar zijn oude vrienden. Hij zal nooit meer het volkslied zingen. Een van die vrienden vocht met hem samen in 1948, ook een zionist van huis uit, en de aanvoerder van een kleine maar vastberaden vredesgroep genaamd Gush Shalom. Hij heet Uri Avnery, en werd vorig jaar vijfentachtig jaar. ‘Je hebt gelijk dat dit niet het land is geworden waar we van droomden’ schrijft hij terug, in een open brief, aan zijn oude vriend: ‘maar ik smeek je, laat ons niet in de steek.’


Ik vertaalde de open brief van Avnery: ‘Een jeremiade’

Een jeremiade

1.
Beste Dov Yermiya,

Ik heb de verontrustende brief gekregen die je onlangs naar een kleine groep vrienden hebt gestuurd. Jij schildert de Israelische werkelijkheid af in sombere – maar waarachtige – kleuren, en eindigt ermee dat je alle banden met die werkelijkheid verbreekt.

“Hierbij verklaar ik, een 95jaar oude sabra * die de velden geploegd heeft en bomen geplant, een huis heeft gebouwd en zoons heeft verwekt, kleinzoons en achterkleinzoons, en bloed heeft geplengd in de strijd voor de oprichting van de staat Israël, ik verklaar dat ik mijn geloof in het zionisme afzweer, het zionisme dat gefaald heeft. En ik zweer dat ik niet langer trouw zal zijn aan de joodse fascistische staat en zijn krankzinnige waandenkbeelden, dat ik niet langer het volkslied zal zingen, dat ik alleen nog op zal staan op dagen dat de doden die aan beide kanten in de oorlogen zijn gevallen worden herdacht, en dat ik met een gebroken hart het Israël aanschouw dat nu zelfmoord aan het plegen is, en de drie generaties nakomelingen die ik verwekt en grootgebracht heb in dit land.”

Sinds ik jou zo’n vijftig jaar geleden voor het eerst heb ontmoet, Dov, beschouwde ik jou altijd als het zout van de aarde. Je was in een dorp geboren, de zoon van een boer, je was een strijder in de oorlog van 1948 en later een kolonel in het leger, een bescheiden man, en een morele man tot in elk van je vezels.

In de eerste Libanon oorlog, klaagde jij de misdaden aan die gepleegd waren tegen de vluchtelingen in het Tyre-Sidon gebied, en jouw moedige rapport schokte mij niet minder dan die van het bloedbad in Sabra en Shatila. Jij aarzelde niet om het zwijgen te verbreken, zoals de jongeren van “Breaking the silence” nu doen, terwijl je heel goed wist dat jouw maten tussen de officieren je buiten zouden sluiten.

Je bent een man naar mijn hart, Dov. En daarom doen jouw woorden me zo’n pijn.

Ik denk dat het belangrijk is dat ik de verklaring van een man van jouw caliber deel met de mensen in hetzelfde kamp die ook slapeloze nachten hebben over de situatie in ons land.

2.
Je begint je brief met het noemen van de stichters van de zionistische beweging.

“Als Herzl weer tot leven gewekt kon worden, en nu zou zien wat er gedaan wordt door diegenen die zeggen dat ze dat doen onder de vlag van het zionisme, zou hij meteen terug vluchten naar zijn graf, doodongelukkig en diep geschokt. En dat zouden ook Chaim Weizman doen en de meeste andere pioniers, de vaders en moeders van mijn generatie. Dat waren mensen met een geweten en een moraal, die vasthielden aan het uitgangspunt dat mensen in wezen fatsoenlijk en eerlijk zijn.”

De meeste van jouw heftige beschuldigingen betreffen de manier waarop Israël de Palestijnen behandelt:

Zo heeft Israël in de afgelopen 42 jaar wat Palestina had moeten worden in een gigantisch strafkamp veranderd, en houdt een geheel volk gevangen onder een onderdrukkend en wreed regime, met geen enkel ander doel dan hun land af te nemen, hoe dan ook! Het leger onderdrukt met hartstocht elke poging tot verzet, daarbij actief geholpen door de schurken van de nederzettingen, met de brute methoden van een geavanceerd apartheidssyteem en door wurgende blokkades, onmenselijke behandeling van de zieken en zwangere vrouwen, de vernietiging van de economie en de roof van hun beste land en hun water.

Over dit alles waait de zwarte vlag** van de verschrikkelijke minachting voor het leven en het bloed van de Palestijnen. Israël zal nooit vergeven worden voor de ontzettende golf aan verspild bloed, en vooral het bloed van dat enorme aantal kinderen.”

Maar ik denk dat deze bodemloze wanhoop die opklinkt uit jouw woorden nog andere wortels heeft. Dat is het gevoel dat opkomt in het hart van velen van jouw en mijn generatie, het gevoel dat ze “onze staat hebben gestolen”, dat er geen overeenkomst meer is tussen het land waar we van droomden en voor vochten en wat er nu voor in de plaats is gekomen.

3.
Als ik denk aan onze jeugd, jouw jeugd en de mijne, valt me bijna altijd die ene gebeurtenis te binnen: het Dalia festival van 1947.

Tienduizenden jonge mannen en vrouwen zaten op de helling van een heuvel van het natuurlijk ontstane amphitheater vlakbij kibbutz Dalia op Mount Carmel. Op het eerste gezicht was het een volksdansfestival, maar in werkelijkheid was het veel meer: het vieren van die nieuwe Hebreeuwse cultuur die we toen aan het scheppen waren in ons land – waarin dans een belangrijke plaats had. De dansgroepen kwamen vooral uit de kibbutzen en de jeugdbeweging, en de dansen waren oorspronkelijke Hebreeuwse creaties, verweven met Russische, Poolse, Jemenitische en Chassidische elementen. En een groep Arabieren danste in extase de dabka, eindeloos.

Midden in dat festival kondigden de luidsprekers aan dat de leden van de onderzoekscommissie van de VN, die de opdracht had gekregen om te beslissen over de toekomst van ons land zich bij ons hadden gevoegd. Toen we ze de arena binnen zagen komen stonden al die tienduizenden mensen spontaan op en begonnen de Hatikva te zingen, ons volkslied, met een heilige hartstocht die weerklonk tegen de omringende bergen.

Toen wisten we nog niet dat er binnen een half jaar een grote Hebreeuws-Arabische oorlog los zou barsten – onze Onafhankelijkheidsoorlog en hun Nakba. Ik denk dat de meesten van de zesduizend jonge mensen die sneuvelden in die oorlog, plus de duizenden die gewond raakten zoals jij en ik, toen op dat moment in Dalia bij elkaar waren, waar we elkaar in de ogen keken en samen zongen.

Aan wat voor een land dachten we toen? Aan wat voor een staat begonnen we te bouwen?

Wat is er gebeurd met die Hebreeuwse samenleving, die Hebreeuwse cultuur, de Hebreeuwse moraal waar we toen zo trots op waren?

4.
Ja, wij stichtten een staat. En zoals het oude lied gaat: “op het slagveld staat nu een stad.” We hebben miljoenen mensen naar dit land gebracht. Van een Hebreeuwse gemeenschap van 650 duizend zielen zijn we uitgegroeid tot een land met een bevolking van zeven en een half miljoen. Een vierde en vijfde generatie spreekt Hebreeuws als moedertaal. Onze economie is gegroeid en is solide, zelfs in deze tijden van crisis. In vele opzichten lopen we vooraan wat betreft onze prestaties.

Maar was dit de samenleving, is dit de staat die we voor ogen hadden toen we er aan begonnen? Is dit het leger waar we trouw aan zworen, op de eerste dag van zijn ontstaan?

Droomden we van deze corrupte maatschappij, een samenleving zonder compassie, waar een handvol mensen in rijkdom leven, met een bende aan politici en mediamensen en andere lakeien die zich wentelen in het stof aan hun voeten?

Droomden we van een staat die veranderde in een geïsoleerd en door iedereen met de nek aangekeken getto in dit deel van de wereld, een staat die heerst over een onderdrukt Palestijns getto-in-een-getto?

Er waren dagen dat we overal in de wereld op hadden kunnen staan en trots hadden kunnen zeggen: “ik ben een Israëli.” Dat kan nu niemand meer. De naam van Israël is slijk geworden. Sinds de Gaza oorlog, waarin ons leger gesmolten lood goot in mannen, vrouwen en kinderen, vermijden vele Israeli’s in buitenlandse straten nog Hebreeuws te spreken, en het leger heeft al bevolen om de gezichten van sommige officiers – officiers van jouw rang, Dov – onherkenbaar te maken op de foto’s in de media.

Waarom gebeurde dit? En wanneer?

Mijn bedoeling is niet om met jou een discussie te beginnen over de fundamenten van het zionisme, de positieve en de negatieve kanten ervan. Het zou kunnen zijn dat we het daar niet over eens zouden worden. Ook begin ik niet aan de vraag of alles werkelijk mis ging vanaf 1967, met die dronkenmakende en corrumperende overwinning, of dat het zaad van de rampspoed al eerder is gezaaid. Op een punt ben ik het volkomen met je eens: dat er een fatale stap is genomen op de dageraad na de overwinning, toen we de keuze hadden om te kiezen tussen het stralende goud van de vrede, en het doffe lood van de annexatie, en we onze handen uitstrekten naar het laatste.

Mijn persoonlijke geweten is rein. Ik ben er trots op dat ik een van de weinigen was in het land, en de enige stem in de Knesset, die zelfs al tijdens de oorlog voorstelde om de bezette gebieden over te dragen aan de Palestijnen, zodat ze hun eigen staat konden stichten. Maar deze unieke kans hebben we laten schieten, en daarmee veranderde de Knesset in een circus, werd het leger gecorrumpeerd, werden obscure religieuze wetten aangenomen, droegen we onze schatkist over aan breidelloos hebzuchtige tycoons, vervuilden we ons onderwijssysteem met primitieve nationalistische indoctrinatie, vervolgden we arme asielzoekers, onderdrukten onze nationale minderheid en bereidden militaire aanvallen voor die dood en destructie brachten onder burgerbevolkingen.

Dat is de staat die jij verafschuwt. Daarin vinden we elkaar.

Dat is de staat die jou tot wanhoop heeft gedreven. En daaover wil ik met je van mening verschillen.

5.
Jij draagt de naam van mijn lievelingsprofeet, Yirmiyahu, de profeet van de woede die uitriep: “Wee mij, moeder van mij, dat je mij hebt gebaard: een man van twist en een man van ruzie, voor heel het land!- allen vervloeken mij!” (Jeremia 15:10)

Maar Jeremia was niet alleen een aanklager, maar ook een bouwer: “om uit te rukken en omver te halen, om verloren te laten gaan en af te breken – ook om op te bouwen en te planten!” (Jeremia 1:10)

Jij, Dov, hebt te veel in deze staat geïnvesteerd om die nu de rug toe te keren in woede en wanhoop. Want het meest afgesleten en misbruikte cliché van Israël is wel waar: “we hebben geen ander land dan dit.”

Andere staten in deze wereld zijn ooit afgezonken tot diepe verdorvenheid, en hebben misdaden begaan, erger nog dan onze grootste zonden, en zijn er toch in geslaagd om zichzelf weer op te laten nemen in de familie van de naties en hebben hun ziel gezuiverd.

Wij, en alle leden van onze generatie, die er bij waren toen deze staat werd gesticht, dragen daar een zware verantwoordelijkheid voor. Een verantwoordelijkheid tegenover onze nakomelingen, tegenover die mensen die door deze staat worden onderdrukt, en tegenover de gehele wereld. Aan deze verantwoordelijkheid kunnen we niet ontsnappen.

Zelfs op jouw respectabele leeftijd, en juist daarom en juist om wat je vertegenwoordigt, moet jij een kompas zijn voor de jongeren en hen zeggen: dit is jullie land, jullie kunnen het veranderen, sta niet toe dat die nationalistische boeven jullie land afpakken!

Het is waar, 61 jaar geleden hadden we een andere staat in ons hoofd. Nu, nu ons land is afgegleden tot wat het is geworden, moeten we ons die andere staat herinneren en er elke dag iedereen aan herinneren wat voor een land dat had moeten worden, wat voor een land het nog kan worden, en we mogen niet toestaan dat ons visioen vervluchtigt alsof het niet meer dan een droom was. Laten we onze schouders mee zetten onder elke poging om ons land te helen!

Met jouw stem heb je ons de boodschap van Jeremia laten horen, van die profeet van de woede. Ik smeek je, laat jouw stem ook de stem zijn van Jeremia, de profeet van de hoop!

Voetnoten:
* Een sabra is iemand die als jood in Israël/Palestina geboren is.
** Eens is in Israël door de rechtbank bepaald dat een soldaat die een bevel opvolgt waarvan hij weet dat het een misdaad is toch persoonlijk verantwoordelijk en strafbaar is: en waait een ‘zwarte vlag’ over zo’n bevel.

Oorspronkelijke tekst in het Engels: hier.

4 gedachten over “De jeremiade van Uri Avnery

  1. Het is een prachtige brief.
    “… de verschrikkelijke minachting voor het leven, … een samenleving zonder compassie, waar een handvol mensen in rijkdom leven …”, kortom een samenleving waar de duivel de regie stevig in handen heeft. Gelukkig zijn er individuen als Uri Avnery die zich los maken van die regie en er toch niet voor vluchten en ik hoop dat Dov Yermiya ingaat op Avnery’s bede.

    Groet,

  2. Ik heb zo’n mateloze bewondering voor de moed van die mannen.

    Vechten in een oorlog voor je ideaal en later openlijk inzien wat er van geworden is. En dat duurt nu al 61 jaar.

    De machteloosheid grijpt je naar de keel.

    Jan.N

  3. Ik had het er pas over met Jaap Hamburger, de voorzitter van Een Ander Joods Geluid, over de ambivalentie die ik soms voel bij kritische Israeli’s die het toch heel moeilijk hebben als anderen oets kritisch zeggen over hun land, en Jaap zei: dat is geen ambivalentie, dat is verscheurdheid. Zo ook Avnery, die het verschrikkelijk vindt wat er van zijn land is geworden en dat ook nog van de daken schreeuwt, maar die tegelijk niet zo ver terug wil gaan dat het altijd een slecht idee was om in een land waar al andere mensen waren een joodse staat te willen stichten – hij houdt zijn geweten rein door te weten dat hij de enige was in de knesset die in 1967 de bezette gebieden terug wilde geven. Maar ook als ik het met hem oneens ben dat die eerste oorlog waar hij gewond in raakte in 1948 wel goed was, ik zie het nog niet veel mensen doen waar hij de moed toe heeft, om toe te geven dat zijn land verworden is tot een bloeddorstige staat waar hij zich diep voor schaamt. Aangrijpend, dit verhaal van die twee oude mannen.

  4. Anja, zo direct na de oorlog, zo direct na de Shoah, had ik grote sympathie voor Israel en begreep ik als jonge man die oorlog in 1948 wel, al was ik zelf in die tijd dienstweigeraar.
    Ten aanzien van Israel was ik ambivalent. De emotie over wat er met de joden gebeurd was – alleen maar omdat het joden waren – zat zo diep EN NOG!!! Een veilig tehuis gunde ik hen zo van harte.
    Wellicht klinkt het van mij – als niet jood zijnde – hoogmoedig, maar ik denk dat ik de verscheurdheid van deze mannen invoel. Juist daarom heb ik zo’n mateloze bewondering voor die mensen, evenals voor die Israelische militairen, die protesteren tegen het oorlogsgeweld in Gaza en verder voor die Hayo Meyersen en Jaap Hamburgers.
    Misschien druk ik me wat verward uit, maar een goed lezer heeft vaak maar een halve zin nodig.

    Jan.N

Reacties zijn gesloten.