Ontwikkelingssamenwerking, Palestina

Nog even terug naar dinsdag, toen Tiny Kox en ik in debat gingen met de ministers van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Het werd wel interessant. Tiny ging met Bot in debat over Quantanamo Bay, we weten dat er af ten toe wat gezegd wordt over de onwettigheid van de manier waarop de VS met de gevangenen omgaat, maar zit er nu schot in dat de VS daar ook echt wat aan gaat doen? Bot gaf een diplomatiek antwoord: er wordt over gepraat. En over Palestina: hoe kan het dat er aan de Palestijnse regering drie eisen worden gesteld: dat ze Israel erkennen, het geweld afzweren en zich houden aan de al gemaakte afspraken, en dat diezelfde drie eisen niet worden gesteld aan Israel?

Interessant was wel dat Van der Linden, van het CDA ook behoorlijk kritisch was, het CDA aan de andere kant was dat niet, en net als links feitelijk zei dat we niet mee moesten doen aan de opdracht om de Hamas regering onderuit te halen. Fatah is geweest wat Hamas nu is, zei hij letterlijk. We hebben tenslotte met andere opposities zoals in Tsjetsjenie ook gepraat, onze taak is het om de partijen bij elkaar te krijgen. Om die reden moeten we wel contact willen hebben met de gematigde krachten binnen Hamas.

Sam Pormes van GroenLinks, weer terug, vroeg zich af of Hamas onderdeel is van het probleem of van de oplossing – en stelde dat er zonder een politieke dialoog geen oplossing denkbaar is.

Ed van Thijn, die wel vond dat Hamas moet voldoen aan de drie eisen, vond het tegelijk ook belangrijk om wel met Hamas te praten: tenslotte maak je vrede niet met je vrienden maar met je vijanden, we moeten Hamas niet isoleren, maar de dialoog bevorderen.

Bot vond dat Hamas eerst over de brug moest komen met een antwoord op de drie eisen. Hij was zo vriendelijk om in te gaan op mijn opmerkingen, zodat ik de kans kreeg naar de interruptiemicrofoon te gaan. (Formeel ging mijn bijdrage over OS, en zou ik niet aan het deel van het debat over BuZa deel hebben mogen nemen wanneer hij mij niet met name had genoemd) Net als Tiny drong ik aan: waarom worden diezelfde drie eisen niet ook aan Israel gesteld. Israel heeft nooit de Palestijnse staat erkend, Israel gaat door met geweld, dat wil zeggen met liquidaties die tegen het internationale recht zijn, en Israel heeft zich niet gehouden aan de verdragen: in de Road Map was voorgeschreven dat de bouw van nederzettingen zou worden bevroren, dat heeft Israel niet gedaan. Bot probeerde deze argumenten te omzeilen. Israel heeft de Palestijnen wel erkend, zei hij. In de Road Map. Ik zei: kunt u een document overleggen waarin Israel de Palestijnse staat erkennen? Uiteindelijk gaf hij wel toe dat we niet met twee maten moeten meten, en dat ook Israel kritisch gevolgd wordt. We zijn er over in gesprek, zei hij. Waarop Tiny nog eens de ongelijkheid benadrukte: tegenover de Palestijnse kant worden zware sancties ingezet, tegenover de Israelische niets anders dan dat er wordt gepraat.

Voor mij ging het nog om een andere zaak: terwijl we ons blindstaren op de vraag of Hamas wel bereid is om toe te geven, gaat het Disengagement Plan door, en anders dan bijvoorbeeld Van Thijn, gaat dat rampzalige gevolgen hebben. Ook de Wereldbank waarschuwt dat onder de voorwaarden die Israel eenzijdig stelt, voor de Palestijnen geen economische zelfstandigheid mogelijk is. Dat heeft ook consequenties voor de OS. Tenslotte is het doel niet aleen om de Palestijnen te helpen te overleven, hoe nodig ook, het gaat er uiteindelijk om dat ze zelfstandig kunnen worden. Naast OS is er dus ook politiek handelen noodzakelijk.

Op zich ging Bot dat laatste niet uit de weg. Er moet toegang tot de Palestijnse gebieden komen voor goederen, we moeten aandringen op afdracht van het belastingeld, Israel zou de bewegingsvrijheidvan de Palestijnen niet moeten belemmeren. Israel zou bovendien geen eenzijdige stappen moeten nemen (en dit is een belangrijke toezegging, onthouden dat Bot dit heeft gezegd!) Europa zou geen grenzen van Israel moeten erkennen die afwijken van de grenzen van 1967, als die niet gezamenlijk zijn overeengekomen. Maar, zei hij er ook weer bij, en daar hoorden we de echo weer van Israel, die dat ook als smoes gebruikte toen Arafat nog de leiding had, en toen Abbas, ‘er moet aan de andere kant wel een partner zijn om mee te praten’. Die is er dus, volgens ons. En over sancties werd zoals gewoonlijk niet gesproken.

Toen het debat met Van Ardenne. Die blijkt best wat te willen doen. Hulp is opnieuw gestuurd naar de UNRWA en ook naar Unicef, en oom de reguliere hulp gaat door. Maar het is, anders dan met Bot, erg moeilijk om met Ardenne in debat te raken. Een groot deel van de tijd gaat op met een uitgebreid reclamepraatje over hoe goed we het doen. Op mijn vraag, waar ik toch veel materiaal voor had aangedragen, of het gehanteerde economische ontwikkelingsmodel van de vrije markt wel het beste was om armoede te bestrijden ging ze eenvoudig niet in. Toen ik maar weer eens naar de interruptiemocrofoon stiefelde om daar naar te vragen zei ze dat het niet relevant was om het over ontwikkelingsmodellen te hebben, ‘omdat elk land het eigen model kiest’. Nou mooi niet. Het is heel erg duidelijk dat Europa bezig is het neo-liberale model ook aan de ontwikkelingspartners op te dringen, met veel slechte gevolgen. Maar er is consensus over ons ontwikkelingsmodel in Europa, dus daar hoeven we het niet over te hebben, zei ze. Ik wees haar er op dat ook het CDA en de PvdA (Van Gennip en Rabbinge) vonden dat er discussie zou moeten komen over alternatieven die beter aan zouden sluiten bij de locale economieen. De Graaf van de VVD wilde nog wel even in de clinch met mij, wat ik nou toch bedoelde. Simpel, zei ik, als we de pretentie hebben om iets aan de armoede te doen, en het blijkt uit de cijfers dat er nog steeds meer geld van Zuid naar Noord gaat dan omgekeerd, dan mogen we onszelf toch de vraag stellen of het huidige economische model wel geschikt is om aan armoedebestrijding te doen. Hoe zouden we anders ooit de Milleniumdoelen kunnen halen? Uiteindelijk gaf de VVD ook toe dat een discussie daarover wel zou mogen, en de minister zei in de laatste termijn toch maar dat ze niet tegen een debat daarover zou zijn. Okee. Ik moet het nog zien, maar het is toch een kleine toezegging.

Bot reageerde behoorlijk geirriteerd om mijn vragen. Ik heb daar wel een idee over hoe dat kwam. Ik zal het nooit kunnen bewijzen, maar eerlijk gezegd denk ik dat Bot wel degelijk wat wil doen. Nederland neemt binnen Europa wel het voortouw om een fonds in te richten om geld naar Palestina te krijgen, en ligt daarmee achter de schermen in de clinch met de VS, die niet wil dat er geld naar de salarissen van al het overheidspersoneel gaat, omdat daar ook Hamas mensen onder zitten. Het is natuurlijk absurd om te denken dat je ooit Hamas kunt isoleren van de bevolking, ze maken deel uit van de bevolking. In ene familie kunnen zowel aanhangers van Hamas als van Fatah of een andere politieke groep zitten. En de families zelf zullen heus niet zeggen Ahmed krijgt niet te eten want die is van Hamas. Aan wie de salarissen ook uitbetaald zullen worden, uiteraard zal de bevolking niemand laten verhongeren. Het is dus idioot om je vanuit het buitenland mee te bemoeien wie er wel en wie er niet betaald mag worden.
Ik denk dat Bot dat ook wel weet. Ik mag het dan niet met hem eens zijn over de eenzijdige eisen met sankties die de Palestijnen worden opgelegd, hij is niet dom. En hij is gebonden aan de beslissingen die de EU heeft genomen. Ik denk dat hij daar ook niet blij mee is, want als diplomaat houdt hij graag zijn handen vrij. Maar dat zal hij zeker niet in het openbaar zeggen. Ik denk dus, nog eens, zonder dat te kunnen bewijzen, dat hij doet wat hij kan. En dat hij vervolgens zo geirriteerd raakt door mijn vragen, ‘ik zie het probleem niet’ zei hij, ik denk dat hij het drommels goed zag, interpreteer ik meer als ‘mens, ik doe wat ik kan, het is al moeilijk, zeur nou niet door’.

We zullen zien. Ik denk dat het wel belangrijk is dat er twee dingen ook bij de andere partijen zijn aangekomen: dat er met twee maten wordt gemeten als het gaat om de eisen die aan de Palestijnen en aan Israel worden gesteld, en dat er een belangrijker probleem is: dat de stichting van een economisch zelfstandige staat Palestina feitelijk door het Disengagement Plan onmogelijk wordt gemaakt. Ik kon het belangrijke artikel van Sara Roy (te vinden op dit weblog) tenminste aan meerdere kamerleden kwijt.
Of het wat uithaalt, we zullen zien.
Hieronder, voor wie nog puf heeft, de tekst van mijn bijdrage aan het debat.

Debat Ontwikkelingssamenwerking, 16 mei 2006
Anja Meulenbelt, SP fractie

Voorzitter,

Mijn fractie verheugt zich op de jaarlijkse gelegenheid om met de bewindslieden van Buitenlandse Zaken en van Ontwikkelingssamenwerking te kunnen debatteren over een belangrijk onderwerp, de ontwikkelingssamenwerking, juist omdat aan de overzijde, in de hectiek van alle dag, zo weinig gelegenheid is om wat dieper op de zaken in te gaan, juist omdat ontwikkelingssamenwerking niet alleen ons visitekaartje is, een kwestie waar een klein land kan tonen groot in te zijn, maar ook omdat we er van uitgaan dat zaken als armoedebestrijding en een rechtvaardiger verdeling in de verschillende delen van de wereld van cruciaal belang zijn voor vrijwel alle andere grote problemen. Zoals gewoonlijk komen wij meteen in de problemen dat we in de tijd die we hebben niet de gehele wereld door kunnen nemen, en dat we moeten kiezen op welke punten we ons betoog toe willen spitsen. Mijn fractie heeft er voor gekozen om op twee punten dieper in te gaan: in de eerste plaats een principiele stellingname wat betreft het economisch model dat ten grondslag ligt aan onze, en de Europese ontwikkelingshulp, die met name verband houdt met het al of niet halen van de Milleniumdoelen, en vooral de armoedebestrijding. En om het betoog, waar we ongetwijfeld vandaag nog niet uit zullen komen niet te abstract te maken, wil mijn fractie opnieuw ingaan op onze relatie, onze bijdrage, aan de ontwikkeling van het Palestijnse gebied.

In de door de commissie Ontwikkelingssamenwerking van deze kamer samengestelde nota over The European Consensus, met grote waardering voor onze voortrekkers in de commissie, de heren Van Gennip en Rabbinge, is een belangrijk vraagstuk dat aan de orde wordt gesteld de kwestie van het gehanteerde ontwikkelingsmodel. Zij geven geen antwoord op de vraag welke modellen zij het meest geschikt achten, maar openen de discussie met de constatering dat het impliciet gehanteerde model, een soort uniform vrij martktmodel, toch langzamerhand blijkt te falen omdat het niet aansluit bij de realiteiten en de aspiraties van vele ontwikkelingslanden. Tot die conclusie was mijn partij, die studie heeft verricht naar de gevolgen van het neo-liberale ontwikkelingsbeleid van de afgelopen tijd, ook gekomen. Werk waar ik dankbaar gebruik van zal maken, want voorlopig zal ik persoonlijk niet de graad van inzicht en expertise ontwikkelen die mijn collega’s Van Gennip en Rabbinge met zich meedragen.

De conclusie van mijn partij is dat met alle waardering voor de minister, die er blijk van heeft gegeven zich werkelijk in te zetten bij nood, zoals we onlang konden zien in de buitengewoon rampzalige situatie in Darfur, de minister nog wel lijkt te denken dat we de problemen van armoede en uitsluiting op zouden kunnen lossen binnen de kaders van een wereldeconomisch systeem waarin vrijhandel en de vrijheid van particuliere investeerders centraal staan. Beleidsuitgangspunten die ook binnen internationale organen, zoals het OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, het IMF (Internationaal Monetaire Fonds) de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie (WTO) door de Nederlandse regering worden ondersteund. Partners in de ontwikkelingssamenwerking zijn onder druk gezet om het kapitaalsverkeer te liberaliseren. Dat heeft tot gevolg dat het internationale bedrijfsleven alle kansen krijgt om in het Zuiden gerealiseerde winsten naar het Noorden terug te ploegen. Met als gevolg dat grofweg van iedere door het Noorden aan hulp bestede euro er vijf vanuit het Zuiden naar ons terug vloeien. Onder de huidige economische omstandigheden hoeft dus geen somberaar te beweren dat we ons geld wegsmijten. Een ander kenmerk van het neoliberale ontwikkelingsmodel is de eenzijdige nadruk op economische groeicijfers, waarbij het bruto binnenlands product (BBP) en het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking indicaties zouden zijn voor welvaart, welzijn en het vermogen zichzelf verder te ontwikkelen. Daarbij worden de schade aan het milieu, en de inkomensongelijkheid binnen bepaalde landen niet verdisconteerd.

We willen niet meedoen aan doemdenken. Het is duidelijk dat er op bepaalde gebieden ook vooruitgang is geboekt, met name in gezondheid en onderwijs. Maar op andere gebieden zijn de resultaten zorgwekkend, en het verbaast mijn fractie dat die negatieve resultaten tot op heden niet hebben geleid tot een fundamenteel debat over de grondslagen van onze ontwikkelingssamenwerking. En we hopen dat daar vanaf vandaag een bescheiden begin mee gemaakt kan worden, en dat ook onze minister daar haar bijdrage aan zal leveren.

Om maar een paar feiten te noemen: volgens de cijfers van het NEF (New Economiscs Foundation) was in 1993 het totale inkomen van de 1 procent rijkste mensen van deze wereld 120 keer zo groot als het totale inkomen van de 10 procent armste mensen ter wereld. In 2006 is die verhouding gestegen tot 170.

Het UNICEF meldt eind 2004 dat de helft van de kinderen in ontwikkelingslanden niet beschikt over de noodzakelijke basisvoorzieningen om te kunnen overleven, als voedsel, gezondheidszorg, water, sanitair. Afgezien van een gebrek aan politieke wil is er geen enkele reden te bedenken waarom miljoenen kinderen nog steeds niet worden ingeeent, sterven van de honger of arbeid verrichten.

Honderden miljoenen boeren en boerinnen, ambachtslieden en vissers in de ontwikkelingslanden zijn de afgelopen decennia tot de bedelstaf gebracht omdat zij niet opgewassen bleken tegen de internationale concurrentie. Tegelijk werd steeds meer menskracht ingezet voor de productie voor de export. De onderlinge concurrentie van landen voor de afzet van hun producten in de ‘ontwikkelde’ landen is versterkt. Zolang honderden miljoenen kansloze armen elkaar op de vrije wereldmarkt beconcurreren om zwaar, laaggeschoold, vuil en ongezond werk te mogen doen, dreigt dat iedereen mee te trekken in wat we de race tot the bottom kunnen noemen.

Uit een onderzoek van Kraev weten we dat de vrijmaking van de internationale handel in een groot aantal ontwikkelingslanden ten koste is gegaan van de economische groei, wat betekent dat zij hun schulden niet af kunnen betalen. Economische groei betekent bovendien niet per definitie armoedereductie. Woodward en Simms berekenden dat van iedere 100 dollar aan groei in het wereldinkomen, er tussen 1990 en 2001 slecht 60 dollarcent ten goede kwam aan de mensen die leven onder de extreme armoedegrens van 1 dollar per dag. Wij zouden graag ter discussie willen stellen of het groeibeleid niet vervangen moet worden door een beleid dat gericht is op inkomensherverdeling van het wereldinkomen. Overdracht van 1% van het inkomen van de rijkste 25% van de wereldbevolking aan de armste 50% van de wereldbevolking is uit oogpunt van armoedebestrijding even effectief als een economische groei van gemiddeld 7,4 % van de wereldproductie, en dat zonder de milieugevolgen die verbonden zijn aan economische groei.

Vanaf de jaren tachtig is er in feite, ondanks alle goedbedoelde pogingen, sprake van een omgekeerde hulprelatie. Het grootste deel van de winsten op investeringen in het Zuiden komt weer in het Noorden terecht. De ontwikkelingslanden die wel in staat zijn gebleken om hun positie op de wereldmarkt te versterken, China, Taiwan, India, Zuid Korea, en Maleisie, zijn niet toevallig de landen waar sterke overheden weerstand hebben geboden aan de druk om hun economie volledig te liberaliseren. En dan het milieu. ‘Onze’ explosief gestegen behoefte aan soja leidt aan de andere kant van de oceaan tot ondergang van de landbouwproducten voor de eigen markt en tot voortgaande ontbossing, evenals ‘onze’ behoefte aan palmolie voor lippenstift en zeep. Onze fractie lijken deze gegevens voldoende aanleiding te bieden tot een hernieuwde discussie over de uitgangspunten, het ontwikkelingsmodel, van onze regering. En als het niet met deze regering gaat lukken, dan met de volgende.

Deze discussie over het ontwikkelingsmodel speelt uiteraard ook een rol, of zou dat moeten doen, bij de evaluatie van de Milleniumdoelen die wel of niet gehaald gaan worden. Eenderde van de te lopen race hebben we achter de rug. De halvering van het aantal mensen dat in extreme armoede en honger leeft gaat naar voorspelling alleen gehaald worden in landen in Zuid-Oost Azie en Noord Afrika. In Sub-Sahara Afrika is de honger zelfs toegenomen. Het stoppen van ziektes als aids en malaria gaat in geen enkel continent lukken. Om maar een paar van de doelen te noemen.

Sinds de Milleniumtop in 200 is de officiele ontwikkelingshulp wereldwijd gegroeid van 50 miljard naar 79,5 miljard in 2004. Dat is een aanzienlijke toename, maar nog steeds niet meer dan een kwart procent van het nationale inkomen van de Westerse landen.
Tijdens de G8-top, de ontwikkelde industriele landen, in 2005 is besloten om 40 a 55 miljard dollar te reserveren voor kwijtschelding van buitenlandse schulden van 18 zeer arme landen. Dat lijkt veel, maar is het niet als we weten dat de schuld van de gezamenlijke Afrikaanse landen 300 miljard dollar is. Een ander punt is dat de landen waaraan kwijtschelding is toegezegd allemaal landen zijn die voldoen aan de neoliberale eisen van het IMF, terwijl die kwijtschelding nou juist zou moeten gelden voor de 68 landen die binnen de inzet van de Milleniumdoelen vallen.

Ook zou het moeten gaan om verbeterde handelsmogelijkheden, zoals door het beperken van handelsbarrieres als hoge tariefmuren en exportsubsidies. Vooralsnog bedroegen in 2004 de subsidies voor de westerse boeren 300 miljard dollar, bijna vier maal zoveel als de totale uitgaven voor de ontwikkelingshulp.

De strijd tegen de honger is geen technisch, maar een politiek probleem. Wereldwijd wordt er voldoende voedsel geproduceerd om de 6 tot 7 miljard mensen op aarde te voeden. Maar cynisch genoeg exporteert 70% van de landen waar honger wordt geleden voedsel naar het rijke Noorden, waar mensen zich meer zorgen maken over welk dieet ze zullen volgen om de gevolgen van het te veel weer kwijt te raken. Waar het dus in essentie aan ontbreekt, is een eerlijker verdeling van voedsel en andere basisvoorzieningen die mensen nodig hebben om te overleven en om te komen tot voedselsoevereiniteit.

Tot op heden worden de teleurstellende resultaten van de vorderingen van de Milleniumdoelen niet gekoppeld aan een discussie over de bestaande theorieen waarmee het ontwikkelingsbeleid wordt gerechtvaardigd. Zolang de Milleniumdoelen zijn geformuleerd binnen het kader van de huidige neoliberale wereldeconomie zullen ze volgens ons, en volgens vele linkse partijen en bewegingen zowel in het Zuiden als het Noorden niet gehaald worden: het is de wereldeconomie zelf, en het daaraan gekoppelde ontwikkelingsbeleid, die de oplossingen van de grote problemen in de weg staan. Om de Indiase milieuactiviste Vandana Shiva te citeren: “het gaat er niet om hoeveel welvarende staten kunnen geven, het gaat er veel meer om hoeveel minder ze kunnen nemen”.

Om twee redenen willen we opnieuw dieper ingaan op de Palestijnse zaak. De eerste is dat we weten dat het daar nog steeds niet goed gaat, integendeel. De armoede is alweer gestegen, de pogingen tot wederopbouw, toch al moeilijk in een land dat nog steeds onder een bezetting leeft, worden keer op keer gefrustreerd door de politieke ontwikkelingen, en ook daarom ben ik blij dat we tegelijkertijd kunnen spreken met de twee belangrijkste ministers op dit gebied. Meer dan in welk ander land van de wereld ook, hangt het slagen van bijdragen aan wederopbouw van het land samen met de politieke wil van het Westen om hen te steunen in het bereiken van politieke onafhankelijkheid. De tweede reden dat we blijven praten over de Palestijnse kwestie is dat de gehele wereld toekijkt of Europa een werkelijke bijdrage gaat leveren aan een rechtvaardige vrede, en aan een redelijke kans voor dit volk om in de toekomst hun eigen boontjes te doppen, en niet langer afhankelijk te blijven van een stroom aan financiele hulp, een kans die mede van ons afhangt. Afgelopen maand was ik opnieuw twee keer in het Palestijnse gebied, en ik moet zeggen dat ik het moeilijk had om uit te leggen waarom Europa er voor gekozen had om de hulp te bevriezen, na de succesvol verlopen verkiezingen waar de Palestijnen met reden trots op waren. Willen wij werkelijk de bevolking nog verder in het moeras douwen, als straf voor het feit dat ze gekozen hebben voor een regering waar Israel en de VS niet mee tevreden zijn? Wie worden er hier bestraft? Onze democratie, is wat meerdere Palestijnen tegen mij hebben gezegd. Uit eerste hand weet ik van vele Palestijnen die van huis uit geen Hamasaanhangers zijn, dat zij hun stem hebben uitgebracht – niet omdat ze fundamentalistischer zouden zijn geworden, want dat zijn ze niet, niet omdat ze zouden geloven in terrorisme – niet alleen het merendeel van de Fatah aanhangers, ook het merendeel van de Hamasaanhangers blijkt aanslagen op burgers fel af te keuren en hopen nog steeds op een politieke oplossing, maar omdat Fatah gefaald had om democratisch en financieel transparant te besturen, en Hamas op dat vlak als vergaand fatsoenlijk wordt gezien door de bevolking. Er is nog nooit sprake geweest van een Hamas leider die voor zichzelf een dure villa liet bouwen, die holle banen met gebruik van dienstauto weggaf aan vriendjes, het is Hamas die op locaal niveau een grote prestatie heeft geleverd aan welzijnswerk, onderwijs, gezondheidszorg en voedselverschaffing, die als geen andere politieke groepering een leger aan vrijwilligers op de been heeft gekregen, om met de bevolking samen te overleven, en oh wonder, Hamas heeft zelfs de stemmen verworven van de progressieve vrouwengroeperingen, omdat ze meer dan welke andere partij ook vrouwen op de kieslijsten hebben geplaatst. Intern krijgt Hamas het voordeel van de twijfel, zelfs van christelijke Palestijnen weet ik uit directe kontakten, met de gedachte dat Fatah, voor wanbeleid en onwil om de oude, ondemocratische garde die hun machtsposities niet op willen geven, de kans te bieden om in de komende vier jaar terug te komen met een beter ontwikkeld programma, een democratischer samengestelde kieslijst, en voldoende training voor het ontbrekende middenkader. Exact dat waar Hamas aanzienlijk beter in is geslaagd. De Palestijnen geloven erg in hun eigen prille democratie, en zijn van plan die ten volle te benutten. Op hun eigen manier. Volgens hun eigen inzichten. En nu steekt onder andere Europa daar een stokje voor door mee te helpen hun gekozen regering ten val te brengen, zoals het Israel en de VS voor ogen staat, door de bevolking uit te hongeren. We weten, overigens, dat Europa, met Nederland voorop, zoekt naar mogelijkheden om de bevolking toch bij te staan, en dat wij er niet achter staan om een dergelijk drukmiddel, waarbij vooral de bevolking wordt bestraft, in te zetten tegen een regering. De vraag is of we ons genoeg teweer stellen.

Het vertrouwen in Europa als een van de VS onafhankelijk, en rechtvaardig werelddeel, dat de mensenrechten hoog in het vaandel heeft, heeft daardoor een flinke deuk opgelopen. Waarvan de echo in het gehele Midden Oosten te horen is. Dat Europa de ontwikkelingshulp, die meer dan ooit noodzakelijk is als politiek pressiemiddel inzet, en daarbij met twee maten meet, kunnen we werkelijk beweren dat alle andere landen die we wel blijven ondersteunen een regering heeft waar we altijd voor honderd procent het hand voor in het vuur willen steken, kunnen wij volhouden dat we wel Israel blijven ondersteunen en nooit de ons tot beschikking staande pressiemiddelen hebben ingezet op het moment dat zij zich niet hielden aan internationale verdragen, de Conventies van Geneve, de adviezen van het Internationaal Gerechtshof, en de gewone mensenrechtenverdragen en nu wel een al half verpauperde bevolking de duimschroeven aandraaien – dat heeft onze positie in de ogen van de wereld buiten het Westen geen goed gedaan.

In haar nota van 2003, Aan elkaar verplicht, heeft de minister gerefereerd aan het feit dat de effectiviteit van de hulp samenhangt met de good governance in de ontwikkelingslanden waar we mee samen werken. Daar staan we geheel achter. Wel lijkt het ons een open deur dat de kwaliteit van bestuur in een land niet zomaar een eigenschap is van een volk, maar ook van de beschikbaarheid van voldoende overheidsmiddelen om een redelijk salaris te betalen aan getalenteerde professionals. We kunnen daarbij bovendien de politieke conflicten niet negeren die een goed beleid belemmeren. We zijn het er over eens dat we mensen helpen te overleven, maar dat het werkelijke doel van de ontwikkelingshulp is om iets op te bouwen, en om de afhankelijkheid te verminderen. Dus is noodhulp soms noodzakelijk, maar willen we het daarbij niet laten.

Ik heb de minister het belangwekkende artikel van de econome Sara Roy al doen toekomen, die al eerder een veel geciteerde studie heeft gemaakt naar de economische situatie in de Gazastrook. Wat Roy benadrukt, en wat voor ons belangrijk is om onder ogen te zien, is dat de noodsituatie niet alleen het gevolg is van de recente boycot nadat Hamas in de regering is gekozen, en zowel door Europa, de VS als door Israel de geldkraan is dichtgedraaid. Waar nu met omslachtige methoden wordt geprobeerd om de Palestijnse bevolking niet helemaal dood te hongeren. De economische noodsituatie is ook niet alleen een gevolg van vijf jaar intifada. De noodsituatie bestond al voor die tijd, en is een gevolg van de bezetting. Een bezetting die in een iets andere vorm voort blijft bestaan ook na de ontruiming van de nederzettingen in de Gazastrook. Die geeft de Gazanen weliswaar iets meer ruimte in hun grote gevangengenis, en de mogelijkheid om groentekassen te bouwen. Maar van economische ontwikkeling is geen sprake en kan ook geen sprake zijn zolang die groente niet kan worden geexporteerd.

Volgens de Wereldbank, en volgens Sara Roy, gaan de Palestijnen op dit moment door de diepste economische depressie in hun geschiedenis, voornamelijk veroorzaakt door de aanhoudende Israelische restricties die de handel vanuit Gaza dramatisch hebben verlaagd, en het arbeidsleger heeft afgesneden van hun banen in Israel. Dat heeft geleid tot ongeevenaarde werkloosheid, van 35 tot 40 procent, en dat was dus voor de laatste crisis. Ongeveer 65 tot 75 procent van de Gazaanse bevolking leeft onder de armoedegrens, dat was in 2000 nog 30 procent. Het Disengagement Plan, wordt in Europa voornamelijk toegejuicht als een stap in de goede richting naar vrede en een Palestijnse staat. Ik zou graag net zo optimistisch zijn als collega Van Thijn, die denkt dat het de goede kant opgaat. Het Disengagement Plan zal economische opbouw vrijwel onmogelijk maken. In het plan staat dat Israel de toegang tot werk buiten de grenzen zal beperken, en uiteindelijk geheel zal tegengaan. Met de groeiende bevolking betekent dat tegelijk dat het arbeidsleger nog minder mogelijkheden zal hebben om geschoold te raken. Nu al stijgt het aantal kinderen per klas, en de gemiddelde schoolresultaten, nadat de Palestijnen hoorden bij de hoogst opgeleide mensen in de regio, zijn weer dalende.

Sinds 2000 zijn de Gazastrook en de Westoever een potentieel inkomen van 6,4 miljard dollar misgelopen en hebben voor 3,5 miljard schade geleden door de operaties van het Israelische leger. Maar de stand van de economie was al slecht aan de vooravond van de intifada. De afsluitingspolitiek van Israel was toen al 7 jaar van kracht, en leidde al tot toegenomen armoede en werkloosheid. De afsluitingspolitiek was daarom zo desastreus omdat in de voorafgaande dertig jaar de Gazaanse economie in vergaande mate afhankelijk was gemaakt van de Israelische economie. Toen de grenzen in 1993 dichtgingen was er nauwelijks meer potentieel aanwezig om een economie te scheppen waarmee in eigen behoeften kon worden voorzien. Roy noemt dat met een woord dat niet in het woordenboek staat de-development. Het tegendeel van ontwikkeling. Alleen land teruggeven aan Gaza zal daar niet bij helpen, zoals de Wereldbank ook heeft gewaarschuwd. Zonder doorlaatbare grenzen is ontwikkeling onmogelijk. En voor wie de moeite neemt om de termen van het Disengagement Plan te lezen, is ontwikkeling ook niet de bedoeling. Het plan geeft Israel het exclusieve gezag over het luchtruim en de territoriale wateren, wat neerkomt op volledige controle over verkeer van personen en goederen. Israel houdt het alleenrecht om tegen de volle prijs electriciteit, water, gas en benzine aan de Palestijnen te leveren. Israel zal doorgaan met het innen van in- en uitvoerbelasting. De israelische shekel zal het Palestijnse betaalmiddel zijn. Israel houdt het alleenrecht op afgifte van identiteitsbewijzen.

Kortom: economisch gezien krijgt Gaza, en straks de Westoever, geen kans, zoals ook nu al te zien is. De visserij is ernstig beperkt. Door de groei van de bevolking is landbouwgrond schaars. Tomaten en sinaasappels kunnen niet meer worden geexporteerd. Water, dat eerst onder Gaza vandaan gepompt wordt en dan weer aan hen verkocht, is duur. Grondstoffen, om iets van kleine industrie te vestigen kunnen niet met regelmaat worden ingevoerd, en zijn vaak zo duur dat het goedkoper is om kant en klare producten in Israel te kopen. Ik heb dat zelf meegemaakt met de poging tweedehandsrolstoelen naar Gaza te krijgen. Het wordt zo duur gemaakt om containers rolstoelen Gaza in te krijgen dat het goedkoper is om rolstoelen in Israel zelf te kopen. Je zou er sarcastisch van worden: zo verdwijnt onze hulp in de economie van Israel – waar dan de bezetting weer mee gefinancierd wordt.

Waar het dus om gaat dat hier sprake is van een politieke situatie die al onze mooie doelen om met ontwikkelingsgeld een volk te ondersteunen om economisch zelfstandig te worden onmogelijk maken. We kunnen onder de huidige omstandigheden, een bezetting nieuwe stijl, niet meer doen dan de Palestijnen te helpen te overleven. Dat moeten we ook doen, om humanitaire redenen. Maar het is duidelijk dat ontwikkelingshulp alleen, zonder politieke druk, niet zal leiden tot de ontwikkeling die de Palestijnen uiteindelijk zelfstandig zullen maken. Vandaar, ik kom terug op mijn begin, dat werkelijke hulp alleen een samenwerking kan zijn tussen de ministers van Ontwikkeling en van Buitenlandse Zaken.

Ik heb nog drie vragen. De eerste grijpt terug op mijn eerste thema. Is de minister bereid om het initiatief te nemen voor een debat of een conferentie in welke vorm dan ook, over de economische ontwikkelingsmodellen die thans worden gehanteerd? Is zij het met mij eens dat wij met elkaar een gesprek moeten aangaan over de vraag of er alternatieve modellen mogelijk zijn?
Ten tweede, net als ieder jaar vraag ik wat de minister zal doen om de Palestijnen te helpen deze noodsituatie te overleven.
Tot slot vraag ik of de minister het er mee eens is dat hier niet kan worden volstaan met technische ontwikkelingshulp. omdat er sprake is van een politiek probleem. Het is aan beide bewindslieden om ons duidelijk te maken wat zij hieraan denken te doen. Ik kijk met belangstelling uit naar hun reactie.

3 gedachten over “Ontwikkelingssamenwerking, Palestina

  1. Hier word ik somber van, Anja. Wat kunnen mijn lullig 25 eurootjes hier nog aan veranderen? Ik denk inderdaad dat je de mensen los moet zien van hun regering. En als mensen hulp nodig hebben, dan moet je dat geven, ondanks een regering en misschien soms dankzij een regering. Maar het zal vaker “ondanks” zijn, vrees ik. Net, zoals in Darfur, en in Atjeh b.v. Hopenlijk komt er een hulpactie op gang, zodat tenminste nierpatiënten in Gaza stad (en elders) niet langer maar twee keer per week gedialyseerd worden, maar gewoon drie keer. Ik heb een vriend die dit elke week drie keer moet doen en weet dus hoe gevaarlijk het is om dit maar twee keer per week te doen. Dus dat hoop ik nu.

  2. Jouw helemaal niet lullige eurootjes helpen een aantal Palestijnen wel degelijk en geven ze weer moed, Lydia. Als ik daar niet in geloofde, als ik dat niet wist, dan zou ik toch niet zoveel tijd besteden aan het geld bij elkaar krijgen, met eurootjes tegelijk, voor de mensen daar! Uiteindelijk zijn hele gewone mensen met een hart in hun lijf wat ze nodig hebben om het vol te houden.

  3. Spelregels, dames en heren. Wie een vraag stelt en een ongeldig emailadres opgeeft krijgt dus vanzelf geen antwoord, want dat wordt dan onbestelbaar teruggestuurd. Waarmee meteen duidelijk wordt dat de vraag niet te goeder trouw was.

Reacties zijn gesloten.