Daar heb ik nou een Palestijnse voor nodig, om me mee te nemen naar het Van Gogh Museum. Daar wou ze heen. Ik moest bekennen dat ik er nooit geweest was. In het buitenland, als ik toerist ben, reis ik makkelijk uren om om een museum of tentoonstelling te zien, maar het Van Gogh, dat is maar tien minuten van mijn huis vandaan met de tram, dat is te dichtbij, dat kan morgen ook nog. Bovendien, van Gogh. Al helemaal platgekeken in mijn jeugd. De reproductie van het landschap van Arles boven het dressoir, de reproductie van een perzikboompje op mijn meisjeskamer. Al het moois is er al vanaf dacht ik.
En dan de verrassing. Zoals de mooiste CD het niet haalt bij een echt concert gebeurt er iets magisch met je als je voor het echte ding staat. Ik vond het prachtig, en echt ontroerend. Vooral de periode in Nuenen, voordat hij naar Frankrijk vertrok is indrukwekkend, al die duistere luchten, de klei, en vooral de aandacht voor de mensen die op het land werkten. De mensen waar toen niemand naar om keek, de turfsteeksters, de aardappeleters.


